JURIST EN RECHT SAMENVATTING KLOOSTERHUIS P1
Normatieve rechtsregels: regels die betrekking hebben op het sturen of beoordelen van
menselijk gedrag:
1. Gebodsbepalingen
2. Verbodsbepalingen
3. Bevoegdheidsverlenende bepalingen
Niet-normatieve rechtsregels: deze regels sturen of beoordelen niet het menselijk gedrag,
maar hebben een andere functie. Deze zijn op te delen in drie categorieën:
1. Kwalificatieregels of definitiebepalingen: in deze regels of bepalingen wordt een
omschrijving van een of meer begrippen uit normatieve rechtsregels gegeven.
2. verwijzingsregels of schakelbepalingen
3. constructies of ficties
Cumulatieve toepassingsvoorwaarden: er moeten bepaalde of meerdere voorwaarden
worden gesteld om een rechtsgevolg te vormen. De een kan niet zonder de ander. Stel er
worden drie voorwaarden gesteld en iets voldoet er alleen aan twee, dan is het geen
rechtsgevolg.
Alternatieve toepassingsvoorwaarden: er worden bepaalde voorwaarden gesteld. Als men
aan één van deze voorwaarden voldoet, dan is er al meteen sprake van een rechtsgevolg.
Men hoeft niet aan alle voorwaarden te voldoen om een rechtsgevolg te hebben.
Limitatieve opsomming: een uitputtende reeks voorwaarden in een rechtsregel.
Niet-limitatieve opsomming: voorbeelden in hoe je een rechtsregel kan opvatten?
WEEK 4:
De student kan:
- de gewone rechterlijke instanties noemen;
- de beginselen van rechtspraak benoemen;
- De grote lijn van een procedure tot in hoogste instantie in het privaatrecht, strafrecht en
bestuursrecht beschrijven;
- een structuuranalyse maken van een civielrechtelijke en strafrechtelijke uitspraak van de
Hoge Raad en van een uitspraak van de ABRS.
Strafrecht (voorfase/dagvaarding) en civielrecht (voorfase/dagvaardingOFverzoekschrift)=
rechtbank-> hof -> hoge raad.
Bestuursrecht = (voorfase/beroepschrift indienen) rechtbank -> afdeling bestuursrecht Raad
van State.
Belastingzaken valt onder bestuursrecht, maar is anders = voorfase/bezwaarschrift ->
rechtbank -> hof -> Hoge raad
ALS JE NAAR DE RECHTBANK GAAT, IS DAT HET EERSTE AANLEG, ALS JE NAAR
HET HOF GAAT, DAN GA JE IN HOGER BEROEP, ALS JE DAARNA NOG NAAR HOGE
RAAD GAAT, GA JE IN CASSATIE = DIT ZIJN RECHTSMIDDELEN.
De rechtbank en het hof zijn feitelijke instanties, zij mogen dus oordelen over de feiten in een
zaak. De hoge raad mag dit niet, die houdt zich alleen bezig met de procedure en mogen de
zaak uiteindelijk verwerpen of vernietigen. De cassatiegronden (art 79 RO) zijn er twee van:
1. Verzuimvormen/ of vorm van verzuim (formeel, dus als er iets tijdens of onder de
procedure is gebeurd)
2. Schending van het recht (inhoud)
ONJUISTE RECHTSOPVATTING IS EEN SCHENDING VAN HET RECHT, OMDAT
MOTIVERINGSGEBREK VALT ONDER VERZUIMVORMEN.
Normatieve rechtsregels: regels die betrekking hebben op het sturen of beoordelen van
menselijk gedrag:
1. Gebodsbepalingen
2. Verbodsbepalingen
3. Bevoegdheidsverlenende bepalingen
Niet-normatieve rechtsregels: deze regels sturen of beoordelen niet het menselijk gedrag,
maar hebben een andere functie. Deze zijn op te delen in drie categorieën:
1. Kwalificatieregels of definitiebepalingen: in deze regels of bepalingen wordt een
omschrijving van een of meer begrippen uit normatieve rechtsregels gegeven.
2. verwijzingsregels of schakelbepalingen
3. constructies of ficties
Cumulatieve toepassingsvoorwaarden: er moeten bepaalde of meerdere voorwaarden
worden gesteld om een rechtsgevolg te vormen. De een kan niet zonder de ander. Stel er
worden drie voorwaarden gesteld en iets voldoet er alleen aan twee, dan is het geen
rechtsgevolg.
Alternatieve toepassingsvoorwaarden: er worden bepaalde voorwaarden gesteld. Als men
aan één van deze voorwaarden voldoet, dan is er al meteen sprake van een rechtsgevolg.
Men hoeft niet aan alle voorwaarden te voldoen om een rechtsgevolg te hebben.
Limitatieve opsomming: een uitputtende reeks voorwaarden in een rechtsregel.
Niet-limitatieve opsomming: voorbeelden in hoe je een rechtsregel kan opvatten?
WEEK 4:
De student kan:
- de gewone rechterlijke instanties noemen;
- de beginselen van rechtspraak benoemen;
- De grote lijn van een procedure tot in hoogste instantie in het privaatrecht, strafrecht en
bestuursrecht beschrijven;
- een structuuranalyse maken van een civielrechtelijke en strafrechtelijke uitspraak van de
Hoge Raad en van een uitspraak van de ABRS.
Strafrecht (voorfase/dagvaarding) en civielrecht (voorfase/dagvaardingOFverzoekschrift)=
rechtbank-> hof -> hoge raad.
Bestuursrecht = (voorfase/beroepschrift indienen) rechtbank -> afdeling bestuursrecht Raad
van State.
Belastingzaken valt onder bestuursrecht, maar is anders = voorfase/bezwaarschrift ->
rechtbank -> hof -> Hoge raad
ALS JE NAAR DE RECHTBANK GAAT, IS DAT HET EERSTE AANLEG, ALS JE NAAR
HET HOF GAAT, DAN GA JE IN HOGER BEROEP, ALS JE DAARNA NOG NAAR HOGE
RAAD GAAT, GA JE IN CASSATIE = DIT ZIJN RECHTSMIDDELEN.
De rechtbank en het hof zijn feitelijke instanties, zij mogen dus oordelen over de feiten in een
zaak. De hoge raad mag dit niet, die houdt zich alleen bezig met de procedure en mogen de
zaak uiteindelijk verwerpen of vernietigen. De cassatiegronden (art 79 RO) zijn er twee van:
1. Verzuimvormen/ of vorm van verzuim (formeel, dus als er iets tijdens of onder de
procedure is gebeurd)
2. Schending van het recht (inhoud)
ONJUISTE RECHTSOPVATTING IS EEN SCHENDING VAN HET RECHT, OMDAT
MOTIVERINGSGEBREK VALT ONDER VERZUIMVORMEN.