Frans grammatica;
Grammatica A; L’emploi du passé composé et de l’imparfait
- Opdrachten; 9, 10, 11
- Référence blz 20
Passé composé
De passé composé gebruik je om te vertellen wat er in het verleden is gebeurd of wat iemand heeft
gedaan. Een zin in de passé composé geeft antwoord op de vraag: ‘en toen?’. Het gaat altijd om een
afgesloten gebeurtenis of handeling: begin en eind zijn duidelijk.
Imparfait
De imparfait vertelt hoe het in het verleden was, niet wat er op een bepaald ogenblik gebeurde. Deze
rijd gebruik je bij het beschrijven van:
1. Een toestand/ situatie
2. Een gewoonte/feit
3. Een handeling die aan de gang is (dit soort zinnen kun je vaal vertalen met: zitten te, bezig zijn
te.
Imparfait Passé composé
souvent vaak Puis Vervolgens
toujours altijd Alors Toen
Tous le jours Iedere dag Ensuite Daarna
quelquefois soms Tout de suite après Meteen daarna
autrefois vroeger Tout â coup Plotseling
avant voorheen Soudain Plotseling
D’habitude gewoonlijk L’annee dernière Vorig jaar
Le lundi ‘s maandags En 2015 In 2015
Grammatica B; Les verbes
- Opdrachten; 24
Aller (gaan) Prendre (nemen) Falloir (nodig Vivre (leven /
hebben, moeten) wonen / meemaken)
présent Je vais Je prends Je vis
Tu vas Tu prends Tu vis
Il/elle/on va Il/elle/on prend Il faut (men of we) Il/elle/on vit
Nous allons Nous prenons Nous vivons
Vous allez Vous prenez Vous vivez
Ils/elles vont Ils/elles prennent Ils/elles vivent
passé composé Je suis allé(e) J’ai pris Il a fallu J’ai vécu
imparfait J’allais Je prenais Il fallait Je vivais
futur simple J’irai Je prendrai Il foudra Je vivrai
conditionnel J’irais Je prendrais Il froudrait Je vivrais
Prendre zelfde als comprendre (begrijpen), surprendre (verrassen), reprendre (hervatten)
Vivre zelfde als revivre (herleven), survivre (overleven)
Grammatica A; L’emploi du passé composé et de l’imparfait
- Opdrachten; 9, 10, 11
- Référence blz 20
Passé composé
De passé composé gebruik je om te vertellen wat er in het verleden is gebeurd of wat iemand heeft
gedaan. Een zin in de passé composé geeft antwoord op de vraag: ‘en toen?’. Het gaat altijd om een
afgesloten gebeurtenis of handeling: begin en eind zijn duidelijk.
Imparfait
De imparfait vertelt hoe het in het verleden was, niet wat er op een bepaald ogenblik gebeurde. Deze
rijd gebruik je bij het beschrijven van:
1. Een toestand/ situatie
2. Een gewoonte/feit
3. Een handeling die aan de gang is (dit soort zinnen kun je vaal vertalen met: zitten te, bezig zijn
te.
Imparfait Passé composé
souvent vaak Puis Vervolgens
toujours altijd Alors Toen
Tous le jours Iedere dag Ensuite Daarna
quelquefois soms Tout de suite après Meteen daarna
autrefois vroeger Tout â coup Plotseling
avant voorheen Soudain Plotseling
D’habitude gewoonlijk L’annee dernière Vorig jaar
Le lundi ‘s maandags En 2015 In 2015
Grammatica B; Les verbes
- Opdrachten; 24
Aller (gaan) Prendre (nemen) Falloir (nodig Vivre (leven /
hebben, moeten) wonen / meemaken)
présent Je vais Je prends Je vis
Tu vas Tu prends Tu vis
Il/elle/on va Il/elle/on prend Il faut (men of we) Il/elle/on vit
Nous allons Nous prenons Nous vivons
Vous allez Vous prenez Vous vivez
Ils/elles vont Ils/elles prennent Ils/elles vivent
passé composé Je suis allé(e) J’ai pris Il a fallu J’ai vécu
imparfait J’allais Je prenais Il fallait Je vivais
futur simple J’irai Je prendrai Il foudra Je vivrai
conditionnel J’irais Je prendrais Il froudrait Je vivrais
Prendre zelfde als comprendre (begrijpen), surprendre (verrassen), reprendre (hervatten)
Vivre zelfde als revivre (herleven), survivre (overleven)