DT 2: Pathofysiologie en farmacotherapieën van diverse hersenaandoeningen
Inhoud colleges
-Symptomen + neurobiologische processen
-Classificatie
-Diagnose
-Behandeling (farmacotherapie)
Leerdoelen
Kennis van (feiten,opsommingen,definities):
-Processen die leiden tot klinische verschijnselen
-Behandeling van klinische symptomen
-Bijdrage van onderzoek om tot een nieuwe behandeling te komen
Inzicht in (uitleggen, beschrijven, vergelijken):
-Huidige onderzoek van ziektebeeld
-Mogelijke extrapolatie naar andere ziektebeelden
HC 1: DSM en diermodellen
Leerdoelen:
-Uitleggen van ziektebegrip
-Kennis van de classificatie van psychiatrische stoornissen
-Uitleggen van validiteit diermodellen
Ziektebegrip
-Disease (ziek zijn): =objectief medisch begrip, pathofysiologisch substraat
-Illness (ziek voelen): =subjectief ziektebeleving bij de patiënt, hulpvraag
-Sickness (ziek melden): =gedrag patiënt valt uit zijn sociale rol
Syndroom
-Tekenen (vb identificatie griepvirus) en symptomen (vb koorts bij griep) clusteren bij meerdere
personen
→Lijkt niet op normaal gedrag en ook niet op andere clusters
Etiologie en pathogenese
-Etiologie: oorzaak/oorzaken die tot aandoening leiden
-Pathogenese: wijze waarop de etiologische factoren tot een stoornis leiden
Classificatie psychiatrische stoornissen
-Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM): Psychiatrische aandoeningen
-International Statistical Classification of Diseases and Related Health Problems (ICD): Voor alle
ziektes, H5: aandoeningen CZS
Doel DSM
-Classificatie van psychiatrische aandoeningen; een taal om patiënten te omschrijven
-Getracht wordt de classificatie te operationaliseren: werkbaar te maken, waardoor de kans dat twee
waarnemers die dezelfde persoon onderzoeken ook tot ongeveer dezelfde conclusies komen groter
wordt.
Voordelen DSM
-Uniformiteit/betrouwbaarheid classificatie (je kan betrouwbaar er iets over zeggen)
-Verbeterde communicatie (weten over wie je het hebt en voor wie het is)
,-Beheersing kosten en kwaliteit hulpverlening
-Verantwoording afleggen over behandeling
-Vergelijking onderzoeksdata mogelijk (om zo een groter aantal patienten te bestuderen
DSM indeling
-Niet naar etiologie, pathogenese of beloop of op basis van hulponderzoek
-Wel op basis van syndromen (prototypisch) en aan de hand van specifieke criteria
→Interbeoordelaars betrouwbaarheid: 80% (gelijke uitkomsten tussen artsen)
DSM indeling
-Door vragen het boek doorlopen en uiteindelijk bij ziekte uitkomen
-Elk ziektebeeld is gekoppeld aan een code (getal)
Je gaat een pad met takken af en komt bij een code die naar een ziektebeeld verwijst
DSM indeling
→Hoe komen ze op de indeling
-WHO onderzoek: gemeenschappelijke kenmerken die over culturele grenzen heengaan
-Lijkt te wijzen op specifieke ziekte
-Erfelijkheidsstudies en tweelingstudies tonen erfelijke component
-Suggereert gemeenschappelijk onderliggend mechanisme
DSM hoofdgroepen (niet kennen)
→Wat kan je er allemaal in vinden
o.a.: Cognitieve stoornissen Verslavingen Ontwikkelingsstoornissen Psychotische stoornissen
Stemmings- en angststoornissen Stress- en aanpassingsstoornissen Persoonlijkheidsstoornissen
Seksuele stoornissen
DSM IV: 5 diagnostische assen
-As I: Primaire symptomatologie (“echte klacht”): klinische stoornissen en ontwikkelingsstoornissen
-As II: Achterliggende persoonlijkheidsstoornis: persoonlijkheidsstoornissen en mentale retardatie
-As III: (bijkomende) somatische aandoeningen
-As IV: Uitlokkende psychosociale en omgevingsfactoren (V-codes)
-As V: Algehele beoordeling van het functioneren, Global Assessment of Functioning schaal, 1-100
(1=niet functioneren; 100=goed functioneren)
Casus
vrouw, 38 jaar, maandenlang neerslachtig en geen zin in het leven, mensenschuw en voelt zich
minderwaardig, echtgenoot pas overleden, ontslagen, suikerziekte
-I (primair): depressieve stoornis (code 296.22)
-II (achterliggend): ontwijkende persoonlijkheidsstoornis (code 301.82)
-III (somatisch): diabetes mellitus (code 250.01)
-IV (omgeving): recent weduwe geworden, werkloos
-V (functioneren): GAF score 45
DSM 5 kent geen 5 assen meer
-Ipv as IV en as V is er een vragenlijst WHODAS 2.0 van de world health organisation
Er kwam allerlei kritiek op de DSM 5.
Vergelijking DSM IV-TR en DSM V
-Bij iedere stoornis zijn symptomen of beschrijvingen geformuleerd die kenmerkend zijn voor de
verschijningsvorm van de stoornis.
,-ADHD (volgens DSM IV-TR(tekst revisie)): aandachtsstoornis, hyperactiviteit/impulsiviteit
-Vervolgens worden omschrijvingen gegeven bij deze kenmerken van ADHD.
-Voor het tekort aan aandacht zijn dit negen omschrijvingen, bv.: ”lijkt vaak niet te luisteren naar wat
er tegen hem/haar gezegd wordt” of ”is vergeetachtig bij dagelijkse bezigheden”.
DSM IV-TR
-Aandacht: tenminste 6 van 9
-Hyperact/impulsiviteit: tenminste 6 van 9 Symtomen voor 7e levensjaar
DSM 5
-Aandacht: kind 6/9; volwassene 5/9
-Hyperact/impuls: kind 6/9; volwassene 5/9
-Symtomen voor 12e levensjaar
Gevolg voor aantal mensen met classificatie ADHD?
→DSM 5: ruimere criteria → meer mensen met classificatie ADHD
Maar: Of those diagnosed with Autistic Disorder/Asperger Syndrome on DSM-IVTR, 78 % met DSM-5
ASD criteria.
-DSM 5 → minder mensen met classificatie ASD
En DSM–IV en DSM 5:
→Geen verschil in aantal mensen met PTSD
Wat zijn de “juiste” criteria om een aandoening te kunnen classificeren?
-DSM criteria zijn bepalend voor de classificatie van aandoening, maar de classificatie richt zich niet
op etiologie, pathogenese of beloop
DSM kritiekpunten
-Geringe empirische-wetenschappelijke basis
-Gevaar voor oneigenlijk gebruik door niet-experts (mensen die niet opgeleid zijn die een diagnose
doen dmv dit handboek en een bepaalde behandeling gebruiken; denk aan huisarts)
-Indeling in categorieën die elkaar lijken uit te sluiten (sterk in hokjes denken)
-Veel patiënten voldoen niet aan strenge criteria van de stoornissen (waar ligt de grens tussen
gezond/ziek?)
Nuancering eerder argument DSM 5: “iedereen beetje gek”
-Minder geschikt voor kinderen, ontwikkeling is anders dan bij volwassenen
-Na diagnose geen richting voor passende behandeling
Andere systemen:
Research Domain Criteria (RDoC) project: classificatie op basis van gedrags- en neurobiologische
maten
-5 domeinen reflecteren ieder een brein systeem waarin het functioneren in verschillende mate, in
verschillende psychiatrische aandoeningen, wordt aangetast.
-Van gen-niveau tot paradigma niveau (specifiek tot abstract) (van gen tot aan gedrag)
→Belangrijk om te benadrukken dat deze specifieke domeinen en constructen standpunten zijn die
, niet definitief of concreet zijn (kunnen veranderen met meer onderzoek)
Cognitieve atlas
-Wat is er mis met cognitie van patient? Er kan overlap tussen
verschillende ziekten zijn
-Op alle niveaus (signalling pathways, neural systems, cognition,
syndromes) kunnen er aspecten overlappen
-Figuur: bij de 3 ziekten zijn 3 genen betrokken; ook uitwisseling
binnen de aandoeningen, maar de behandeling is heel anders
→DSM sluit uit dat er een onderliggend aspect kan zijn bij
meerdere verschillende hersenziektes
BSNIP project: the bipolar schizophrenia network on intermediate
phenotypes
-Schizofrenia, schizofrenia affective disorder, psychotic bipolar
disorder: bij alle 3 komen psychoses voor
-Er is niet 1 type patiënt: er zou een betere categorisatie kunnen zijn
als wij hersenactiviteit zouden meten van alle patienten en (misschien)
3 groepen vinden waarvan de patiënten van alle 3 de aandoeningen
komen
Onderzoek naar hersenziektes – verschillende niveaus
-Genetische invloeden, al dan niet in interactie met omgeving: antropogenetica (erfelijkheidsleer)
populatie-genetica epidemiologie tweelingonderzoek
-Dierexperimentele benadering (proefdiermodel): volgen van ontstaansgeschiedenis beter inzicht in
moleculaire en cellulaire processen testen van nieuwe behandelingen
-Verbeteren diagnostiek en behandeling in patiënten: psychologie (bv. interventies bij PTSS)
psychiatrie / neurologie (bv. diepe-hersen stimulatie bij OCD) orthopedagogiek (bv. leesprogramma’s
bij dyslexie)
Waarom weten we nog zo weinig van hersenziektes?
-Hersenen zeer complex, heterogeen en moeilijk toegankelijk
-Hersenziektes zijn vaak multifactorieel en polygeen
-Veel hersenziektes komen sporadisch voor
-Oorzaken nog nauwelijks bekend
Waarom is het belangrijk om meer te weten?
-Doordat we ziekte pas zo laat waarnemen, komen we weinig te weten over de vroege fasen (wat zijn
vroege kenmerken?). Herstel is dan moeilijk en aan preventie zijn we nog niet toe. (we zijn eigenlijk
altijd te laat voor genezing van hersenaandoeningen)
-Oorzaken nog nauwelijks bekend → oorzaak kan ook niet aangepakt worden. Behandeling is vaak
symptomatisch: Patiënten leven nog geruime tijd met ziekte, maar moeten wel behandeld/verpleegd
worden.
Inhoud colleges
-Symptomen + neurobiologische processen
-Classificatie
-Diagnose
-Behandeling (farmacotherapie)
Leerdoelen
Kennis van (feiten,opsommingen,definities):
-Processen die leiden tot klinische verschijnselen
-Behandeling van klinische symptomen
-Bijdrage van onderzoek om tot een nieuwe behandeling te komen
Inzicht in (uitleggen, beschrijven, vergelijken):
-Huidige onderzoek van ziektebeeld
-Mogelijke extrapolatie naar andere ziektebeelden
HC 1: DSM en diermodellen
Leerdoelen:
-Uitleggen van ziektebegrip
-Kennis van de classificatie van psychiatrische stoornissen
-Uitleggen van validiteit diermodellen
Ziektebegrip
-Disease (ziek zijn): =objectief medisch begrip, pathofysiologisch substraat
-Illness (ziek voelen): =subjectief ziektebeleving bij de patiënt, hulpvraag
-Sickness (ziek melden): =gedrag patiënt valt uit zijn sociale rol
Syndroom
-Tekenen (vb identificatie griepvirus) en symptomen (vb koorts bij griep) clusteren bij meerdere
personen
→Lijkt niet op normaal gedrag en ook niet op andere clusters
Etiologie en pathogenese
-Etiologie: oorzaak/oorzaken die tot aandoening leiden
-Pathogenese: wijze waarop de etiologische factoren tot een stoornis leiden
Classificatie psychiatrische stoornissen
-Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM): Psychiatrische aandoeningen
-International Statistical Classification of Diseases and Related Health Problems (ICD): Voor alle
ziektes, H5: aandoeningen CZS
Doel DSM
-Classificatie van psychiatrische aandoeningen; een taal om patiënten te omschrijven
-Getracht wordt de classificatie te operationaliseren: werkbaar te maken, waardoor de kans dat twee
waarnemers die dezelfde persoon onderzoeken ook tot ongeveer dezelfde conclusies komen groter
wordt.
Voordelen DSM
-Uniformiteit/betrouwbaarheid classificatie (je kan betrouwbaar er iets over zeggen)
-Verbeterde communicatie (weten over wie je het hebt en voor wie het is)
,-Beheersing kosten en kwaliteit hulpverlening
-Verantwoording afleggen over behandeling
-Vergelijking onderzoeksdata mogelijk (om zo een groter aantal patienten te bestuderen
DSM indeling
-Niet naar etiologie, pathogenese of beloop of op basis van hulponderzoek
-Wel op basis van syndromen (prototypisch) en aan de hand van specifieke criteria
→Interbeoordelaars betrouwbaarheid: 80% (gelijke uitkomsten tussen artsen)
DSM indeling
-Door vragen het boek doorlopen en uiteindelijk bij ziekte uitkomen
-Elk ziektebeeld is gekoppeld aan een code (getal)
Je gaat een pad met takken af en komt bij een code die naar een ziektebeeld verwijst
DSM indeling
→Hoe komen ze op de indeling
-WHO onderzoek: gemeenschappelijke kenmerken die over culturele grenzen heengaan
-Lijkt te wijzen op specifieke ziekte
-Erfelijkheidsstudies en tweelingstudies tonen erfelijke component
-Suggereert gemeenschappelijk onderliggend mechanisme
DSM hoofdgroepen (niet kennen)
→Wat kan je er allemaal in vinden
o.a.: Cognitieve stoornissen Verslavingen Ontwikkelingsstoornissen Psychotische stoornissen
Stemmings- en angststoornissen Stress- en aanpassingsstoornissen Persoonlijkheidsstoornissen
Seksuele stoornissen
DSM IV: 5 diagnostische assen
-As I: Primaire symptomatologie (“echte klacht”): klinische stoornissen en ontwikkelingsstoornissen
-As II: Achterliggende persoonlijkheidsstoornis: persoonlijkheidsstoornissen en mentale retardatie
-As III: (bijkomende) somatische aandoeningen
-As IV: Uitlokkende psychosociale en omgevingsfactoren (V-codes)
-As V: Algehele beoordeling van het functioneren, Global Assessment of Functioning schaal, 1-100
(1=niet functioneren; 100=goed functioneren)
Casus
vrouw, 38 jaar, maandenlang neerslachtig en geen zin in het leven, mensenschuw en voelt zich
minderwaardig, echtgenoot pas overleden, ontslagen, suikerziekte
-I (primair): depressieve stoornis (code 296.22)
-II (achterliggend): ontwijkende persoonlijkheidsstoornis (code 301.82)
-III (somatisch): diabetes mellitus (code 250.01)
-IV (omgeving): recent weduwe geworden, werkloos
-V (functioneren): GAF score 45
DSM 5 kent geen 5 assen meer
-Ipv as IV en as V is er een vragenlijst WHODAS 2.0 van de world health organisation
Er kwam allerlei kritiek op de DSM 5.
Vergelijking DSM IV-TR en DSM V
-Bij iedere stoornis zijn symptomen of beschrijvingen geformuleerd die kenmerkend zijn voor de
verschijningsvorm van de stoornis.
,-ADHD (volgens DSM IV-TR(tekst revisie)): aandachtsstoornis, hyperactiviteit/impulsiviteit
-Vervolgens worden omschrijvingen gegeven bij deze kenmerken van ADHD.
-Voor het tekort aan aandacht zijn dit negen omschrijvingen, bv.: ”lijkt vaak niet te luisteren naar wat
er tegen hem/haar gezegd wordt” of ”is vergeetachtig bij dagelijkse bezigheden”.
DSM IV-TR
-Aandacht: tenminste 6 van 9
-Hyperact/impulsiviteit: tenminste 6 van 9 Symtomen voor 7e levensjaar
DSM 5
-Aandacht: kind 6/9; volwassene 5/9
-Hyperact/impuls: kind 6/9; volwassene 5/9
-Symtomen voor 12e levensjaar
Gevolg voor aantal mensen met classificatie ADHD?
→DSM 5: ruimere criteria → meer mensen met classificatie ADHD
Maar: Of those diagnosed with Autistic Disorder/Asperger Syndrome on DSM-IVTR, 78 % met DSM-5
ASD criteria.
-DSM 5 → minder mensen met classificatie ASD
En DSM–IV en DSM 5:
→Geen verschil in aantal mensen met PTSD
Wat zijn de “juiste” criteria om een aandoening te kunnen classificeren?
-DSM criteria zijn bepalend voor de classificatie van aandoening, maar de classificatie richt zich niet
op etiologie, pathogenese of beloop
DSM kritiekpunten
-Geringe empirische-wetenschappelijke basis
-Gevaar voor oneigenlijk gebruik door niet-experts (mensen die niet opgeleid zijn die een diagnose
doen dmv dit handboek en een bepaalde behandeling gebruiken; denk aan huisarts)
-Indeling in categorieën die elkaar lijken uit te sluiten (sterk in hokjes denken)
-Veel patiënten voldoen niet aan strenge criteria van de stoornissen (waar ligt de grens tussen
gezond/ziek?)
Nuancering eerder argument DSM 5: “iedereen beetje gek”
-Minder geschikt voor kinderen, ontwikkeling is anders dan bij volwassenen
-Na diagnose geen richting voor passende behandeling
Andere systemen:
Research Domain Criteria (RDoC) project: classificatie op basis van gedrags- en neurobiologische
maten
-5 domeinen reflecteren ieder een brein systeem waarin het functioneren in verschillende mate, in
verschillende psychiatrische aandoeningen, wordt aangetast.
-Van gen-niveau tot paradigma niveau (specifiek tot abstract) (van gen tot aan gedrag)
→Belangrijk om te benadrukken dat deze specifieke domeinen en constructen standpunten zijn die
, niet definitief of concreet zijn (kunnen veranderen met meer onderzoek)
Cognitieve atlas
-Wat is er mis met cognitie van patient? Er kan overlap tussen
verschillende ziekten zijn
-Op alle niveaus (signalling pathways, neural systems, cognition,
syndromes) kunnen er aspecten overlappen
-Figuur: bij de 3 ziekten zijn 3 genen betrokken; ook uitwisseling
binnen de aandoeningen, maar de behandeling is heel anders
→DSM sluit uit dat er een onderliggend aspect kan zijn bij
meerdere verschillende hersenziektes
BSNIP project: the bipolar schizophrenia network on intermediate
phenotypes
-Schizofrenia, schizofrenia affective disorder, psychotic bipolar
disorder: bij alle 3 komen psychoses voor
-Er is niet 1 type patiënt: er zou een betere categorisatie kunnen zijn
als wij hersenactiviteit zouden meten van alle patienten en (misschien)
3 groepen vinden waarvan de patiënten van alle 3 de aandoeningen
komen
Onderzoek naar hersenziektes – verschillende niveaus
-Genetische invloeden, al dan niet in interactie met omgeving: antropogenetica (erfelijkheidsleer)
populatie-genetica epidemiologie tweelingonderzoek
-Dierexperimentele benadering (proefdiermodel): volgen van ontstaansgeschiedenis beter inzicht in
moleculaire en cellulaire processen testen van nieuwe behandelingen
-Verbeteren diagnostiek en behandeling in patiënten: psychologie (bv. interventies bij PTSS)
psychiatrie / neurologie (bv. diepe-hersen stimulatie bij OCD) orthopedagogiek (bv. leesprogramma’s
bij dyslexie)
Waarom weten we nog zo weinig van hersenziektes?
-Hersenen zeer complex, heterogeen en moeilijk toegankelijk
-Hersenziektes zijn vaak multifactorieel en polygeen
-Veel hersenziektes komen sporadisch voor
-Oorzaken nog nauwelijks bekend
Waarom is het belangrijk om meer te weten?
-Doordat we ziekte pas zo laat waarnemen, komen we weinig te weten over de vroege fasen (wat zijn
vroege kenmerken?). Herstel is dan moeilijk en aan preventie zijn we nog niet toe. (we zijn eigenlijk
altijd te laat voor genezing van hersenaandoeningen)
-Oorzaken nog nauwelijks bekend → oorzaak kan ook niet aangepakt worden. Behandeling is vaak
symptomatisch: Patiënten leven nog geruime tijd met ziekte, maar moeten wel behandeld/verpleegd
worden.