HULVERLENER
‘OPTIMAL ISATIE VA N DE HERKENN ING
VAN EEN HYPOACT IEF DE LIER
OP DE SPOEDEISENDE HULP’
IN SAMENW ERKING MET HET MMC TE AMERSFOORT EN HOGESCHOOL
UTRECHT
Naam: Marisca Aling
Studentnummer: 1637989
Docenten: Mariska den Hartog & Corrie Timmermans
Datum: 24-6-2018
1
, VOORWOORD
Dit verslag is geschreven in het kader van mijn afstudeeronderzoek, verricht op de afdeling
Spoedeisende Hulp (SEH) van het Meander Medisch Centrum (MMC) te Amersfoort.
De resultaten uit dit onderzoek worden relevant geacht voor de beroepsgroep Bachelor Medisch
Hulpverlener (BMH) en SEH-verpleegkundigen. Vandaaruit kunnen zij op de SEH bijdragen aan de
vroege herkenning van een hypoactief delier en zorgen voor kwaliteitsbevordering onder geriatrische
patiënten met een hypoactief delier.
Het thema ‘Delier’ heeft mijn interesse gewekt naar aanleiding van het volgen van de minor Intensive
Care (IC). De kennis die mij tijdens deze minor is bijgebracht, bevatte onder andere dat het herkennen
van een hypoactief delier een moeilijk concept is. Voor het schrijven van deze scriptie dacht ik daar
aan terug en vroeg ik mij af hoe de herkenning van een hypoactief delier verloopt op de SEH.
Ik wil graag Mariska den Hartog bedanken voor haar begeleiding tijdens dit onderzoek. Haar eerlijke
feedback en de één op één ondersteuning heeft mij laten groeien op diverse vlakken. Ik heb meer
inzicht gekregen in hoe je op een wetenschappelijk verantwoorde wijze je onderzoeksresultaten deelt.
Ook heb ik geleerd dat wetenschap ons iedere keer een stukje verder brengt qua kennis. Iedere
onderzoeker kijkt met zijn/haar eigen blik en visie naar bestaande onderzoeksgegevens. Dit verrijkt de
kennis over onderwerpen. Over mijzelf heb ik geleerd ik meer een praktisch mens ben. Ik hou van het
contact met mensen, de spanning van het werk op de SEH en het mogen bijdragen aan een zo goed
mogelijke verpleegtraject.
2
, INHOU DSOPGAVE
Voorwoord .......................................................................................................................................................................................2
Samenvatting ..................................................................................................................................................................................4
Hoofdtuk 1: Inleiding ..................................................................................................................................................................6
Hoofdstuk 2: Methode ............................................................................................................................................................. 13
Hoofdstuk 3: Resultaten .......................................................................................................................................................... 16
Hoofdstuk 4: Conclusie ........................................................................................................................................................... 21
Hoofdstuk 5: Discussie ............................................................................................................................................................ 22
Hoofdstuk 6: Aanbeveling ..................................................................................................................................................... 24
Bibliografie ................................................................................................................................................................................... 25
Bijlage 1: Prevalentie van een delier/subtypen.............................................................................................................. 28
Bijlage 2: Validatie van screeningsmodellen ................................................................................................................. 29
Bijlage 3: Zoekmethode internationale literatuur ......................................................................................................... 33
Bijlage 4: DTS............................................................................................................................................................................. 40
Bijlage 5: bCAM ........................................................................................................................................................................ 41
Bijlage 6: Protocollen en richtlijnen MMC..................................................................................................................... 42
Richtlijn Kwetsbare Ouderen ........................................................................................... 42
Protocol delier .................................................................................................................. 46
Bijlage 7: Uitwerking focusgroep ....................................................................................................................................... 53
Bijlage 8: Reflectie .................................................................................................................................................................... 56
3
, SAMENVATT ING
Inleiding
Op de Spoedeisende Hulp (SEH) van het Meander Medisch Centrum (MMC) te Amersfoort
presenteert zich een steeds groter aantal patiënten met een delier, waaronder een hypoactief delier. In
dit onderzoek staat ‘het niet herkennen van een hypoactief delier op de SEH’ centraal, waarmee wordt
bedoeld dat deze patiënten zich presenteren op de SEH, maar niet als zodanig worden
gediagnostiseerd. De vraag die hieruit voorkomt is: ‘In hoeverre wordt een hypoactief delier op de
SEH in het MMC gediagnosticeerd en zijn er vanuit de literatuur wetenschappelijke hulpmiddelen die
kunnen worden ingezet om de herkenning van een hypoactief delier te optimaliseren?’
Probleemstelling
Ongewenste situatie: Uit de geraadpleegde, wetenschappelijke literatuur blijkt dat er te weinig
herkenning is van een hypoactief delier op de SEH. Wanneer een (hypoactief) delier niet of te laat
wordt herkend/gediagnosticeerd en behandeld leidt dit tot hogere mortaliteit voor de patiënt. Op de
SEH in het MMC is er geen duidelijkheid of er wordt gescreend op een hypoactief delier. Er is geen
inzicht in de mate van onderdiagnose van een hypoactief delier en het is niet duidelijk in hoeverre er
diagnostische hulpmiddelen zijn en of deze hulpmiddelen bijdragen aan het herkennen van een
hypoactief delier.
Gewenste situatie: Een hypoactief delier wordt op de SEH optimaal (in een vroegtijdig stadium)
herkend en gediagnosticeerd. Vanuit de vakliteratuur zijn er Evidence Based hulpmiddelen
gepubliceerd, die in aanvullende zin op de SEH in het MMC kunnen worden ingezet om de
herkenning van een hypoactief delier te optimaliseren.
Doelstelling
De doelstelling van dit onderzoek is het verbeteren van de patiëntveiligheid en kwaliteitszorg op de
SEH van het MMC. Dit kan door het in kaart brengen van de mate van diagnostisering van een
hypoactief delier en waar mogelijk een aanbeveling op te stellen met betrekking tot het optimaliseren
van de herkenning dan wel diagnostisering van een hypoactief delier.
Onderzoeksvragen
Hoofdvraag: ‘In hoeverre wordt een hypoactief delier op de SEH in het MMC gediagnosticeerd en zijn
er vanuit de literatuur wetenschappelijke hulpmiddelen die kunnen worden ingezet om de herkenning
van een hypoactief delier te optimaliseren?’
Deelvragen:
1. Hoe vaak is in 2016 op de SEH van het MMC een delier gediagnostiseerd en hoeveel procent
daarvan was daadwerkelijk een hypoactief- ofwel stil delier? In hoeverre komen deze percentages
overeen met de resultaten uit het literatuuronderzoek?
2. Wat zijn de bestaande protocollen en richtlijnen op de SEH van het MMC omtrent de herkenning
van een hypoactief delier?
3. Wat zijn de behoeften van de SEH-verpleegkundigen, werkzaam op de SEH van het MMC, om een
hypoactief delier (nog) beter te kunnen herkennen?
Methode
Voor het beantwoorden van de deelvragen is gebruik gemaakt van internationale literatuur vanuit de
database van ’Pubmed’. Daarnaast is retrospectief inventariserend dataonderzoek verricht in de
database van het MMC. De bestaande protocollen van het MMC zijn opgevraagd bij het ICT-beheer
van het MMC. Ten slotte zijn de behoeften van de SEH-verpleegkundigen, van het MMC,
geïnventariseerd aan de hand van een focusgroep.
4