P. Dijkstra, 2e druk
H1 Het belang van menselijke relaties
Need to belong; zorgt ervoor dat we sociale contacten aangaan.
Sociale steun; 1.Emotionele steun
2. Informationele steun
3. Instrumentele steun; praktische steun, zoals bloemetjes water geven.
4. waarderende steun
Prosociaal gedrag/ altruïsme; helpen van andere mensen
1. delen van genetische band ‘inclusive fitness’
2. verbeteren eigen reputatie ‘competitive altruisme’
3. empathie voelen voor de ander; empathie-altruïsme-hypothese van Batson (mensen
in nood helpen)
4. onlustgevoelens verminderen; ‘negative -state-relief-model’ iem. helpen niet uit
empathie, maar om van je ongemakkelijk gevoel af te komen ‘omdat het hoort’
5. om zich goed te voelen ‘mood enhancement’
6. plichtsbesef; familie/geloof
7. streven naar wederkerigheid ‘sociale uitwisselings theorien’
Emotionele besmetting; empathie is zowel bewust als onbewust aangelegenheid.
Zonder dat we het doorhebben nemen we emoties van elkaar over.
, Samenwerken als overlevingsmechanisme
-positieve interdependentie; mensen een doel alleen kunnen bereiken als anderen met
wie ze samenwerken dat ook lukt. ‘Gezamenlijk streven’ zoals ’t milieu.
-Negatieve interdependentie; alleen je doel bereiken als dat anderen niet lukt.
‘Competitie’
Optimale samenwerking; positieve sociale interdependentie, groepsdoel, cohesie,
vertrouwen en gevoel van rechtvaardigheid.
Sociaal dilemma: keuze v eigenbelang op korte termijn meer oplevert, maar op lange
termijn schadelijk vh collectief, lijdt uiteindelijk iedereen verlies. ‘belasting’
Sociale normen;
1. Descriptieve normen: wat mensen denken dat andere mensen in
een bep situatie doen of wat ze andere mensen zien doen.
2. Injunctieve normen: wat door de groep als gewenst of ongewenst
wordt beschouwd.
Voortplanting als drijfveer; door de AOW, overbevolking (door hogere
levensverwachting, geen epidemie uitbraken) is dit niet meer nodig. Toch zijn veel
van onze gedragingen nog steeds te verklaren uit de drift tot voortplanting.
Sociale netwerken;
1. Steungroep: close contact; 7 personen
2. Sympathiegroep: waar je goed mee kan opschieten 12/15 personen.
3. Weak ties: vrijblijvende contacten , vnl plezier en geen verplichtingen.
- Informationele steun en afleiding
Meer dan 150 mensen is onmogelijk.
, Ecogram; grafische weergave van de contacten/ sociaal netwerk, die een cliënt heeft
in deze periode van zijn leven. Om inzicht te krijgen in de relationele problemen die
de cliënt ervaart. P34 (ondersteunend/ neutraal/ gespannen)
Eenzaamheid; gebrekkig sociaal netwerk en mensen met een minder goede
gezondheid.
1. Sociale eenzaamheid: sociaal isolement, ondernemen of praten m iem.
2. Emotionele eenzaamheid: ontbreken van een intieme relatie.
Aantasting zelfwaardering: door uitsluiting
Sociale identiteit: zelfbeeld van mensen heeft een sterk sociaal karakter, dwz mens
ziet zichzelf niet alleen als los individu, maar ook als onderdeel van een bep groep.
Sociometerhypothese (leary,2012) in hoeverre is de zelfwaarde verweven met positie
in een groep en de kwaliteit van relaties met anderen. (Acceptatie-afwijzing)
Hoofdstuk 2
Sociale invloed
2.1 Vormen van sociale beïnvloeding
SMOKSPOES
1. Sociaal leren; ‘modelling’; bestuderen van andermans gedrag ‘rolmodel’ om
vervolgens te imiteren. ‘Albrecht Bandura’
-aanleren van vaardigheden. Autorijden, veters strikken. Door het voordoen,
worden spiegelneuronen geactiveerd in ons brein, alsof we het zelf doen.
2. Macht; iem het vermogen heeft om overtuigingen of gedrag van anderen te
beinvloeden.
1. beloningsmacht: leraar/directeur m goed punt/salaris verhoging
2. bestraffingsmacht: politie/ politiek
3. legitimiteitsmacht: rechter/ agenten ‘formele positie’
4. referentiemacht:’rolmodel’popidolen/charismatische leiders/ martelaars
5. deskundigheidsmacht: wetenschappers/medische specialisten.
De werking van macht heeft ook te maken met de hang naar acceptatie.
Ze willen niet afgewezen worden en gewaardeerd worden. Daarin gaan
mensen heel ver. (Milgram, toedienen elektrische schokken door leraar)