College 4
Introductie III
Ontwikkelingsmodellen
Ontwikkeling van externaliserend gedrag: Vanaf 12 jaar gaat
het aantal misdrijven omhoog. Dit komt mogelijk doordat
kinderen jonger dan 12 jaar niet in het systeem komen. Tussen
de 16 en 25 jaar bestaat er een piek. Verder is de algemene regel
dat met leeftijd het aantal misdrijven afneemt.
Dual taxonomy
Stelt dat de age-crime curve geen recht doet omdat er onderscheid gemaakt kan worden tussen:
1. Life-course persistent: dit is eigenlijk een heel klein percentage van de jeugdigen. Dit zijn jongeren
waarbij ervan jongs af aan sprake is van probleemgedrag, wat tot ver in de volwassenheid duurt. Dit
is het gevolg van negatieve transacties tussen neuropsychologische factoren en omgevingsfactoren
(nadelige omgeving, ouders). Deze factoren zijn (1) evocatief (uitlokkend); (2) reactief (mensen
reageren ergens op afhankelijk van persoonlijke kenmerken, is wederkerig met evocatief) of (3)
proactief (jongeren zoeken passende omgeving). De transacties zorgen voor twee processen: (1)
cumulatief (opbouwend, van kwaad tot erger) en (2) contemporary (probleemgedrag zorgt over de
tijd later weer voor problemen, zo is het gedrag hetzelfde maar de uiting en context anders bv. ruzie
met ouders, op school en later op werk), dus er is sprake van stabiliteit in context en tijd. Wat deze
groep dus kenmerkt is dat bepaalde individuele kenmerken samen met de omgeving keer op keer
voor probleemgedrag zorgen. Ook zijn er vaak geen sociale rolmodellen vanuit de omgeving. Het
afbakenen van deze groep is niet simpel. Zo zie je de groep vaak in de GGZ (5% van de populatie die
verantwoordelijk is voor bijna alle kosten van de gezondheidszorg). Ook is er samenhang met andere
stoornissen (depressie, angst, middelenmisbruik).
2. Adolescence-limited: dit is een grote groep jongeren en verklaart de bovengenoemde piek. Hier
hebben de meeste jongeren een prima kindertijd gehad en is er geen sprake van eerdere meldingen
bij instellingen zoals jeugdzorg. In de pubertijd gaat deze groep probleemgedrag vertonen tijdens de
majurity gap (5-10 jaar), maar hiervoor en hierna niet. Er zijn drie redenen voor deze gap:
1. Motivatie: er is discrepantie tussen de sociale en biologische volwassenheid bij het starten van
de pubertijd. Dit brengt een zekere spanning met zich mee en jongeren willen aantonen dat zij
ook autonoom zijn, vaak door delictgedrag (bv. roken, drinken). Daarnaast ontstaat er een
nieuwe sociale referentiegroep op de middelbare school die andere gedragingen vertoont.
2. Social mimicry: LCP-individuen gaan van de periferie van de sociale hiërarchie naar het centrum
van een peer groep met een voorbeeldfunctie. De AL-groep gaat dit gedrag imiteren. Ook is
er sprake van beïnvloeding want je wil bevestiging van een groep. Het kan door invloed van
vrienden maar ook door admiration van mensen waarnaar wordt opgekeken.
3. Bevestiging (reinforcement): de (negatieve) reacties van ouders en school zorgen er eigenlijk
voor dat jongeren extra delictgedrag vertonen om zo hun volwassenheid bewijzen.
1
, Wie vertoont geen probleemgedrag: deze groep wordt abstainers genoemd. Een factor van delictgedrag
is vroege pubertijd, want als je juist later pubert is het spanningsveld tussen fysieke en sociale ontwikkeling
kleiner. Daarnaast is de rol van antisociale rolmodellen erg belangrijk, want als deze er niet zijn wordt er ook
geen norm gelegd dat risicovol gedrag samenhangt met status. Persoonlijke kenmerken hebben ook een
rol; overcontrollers en individuen met neurotische trekken hebben meer oog op de consequenties van het
delictgedrag, waardoor zij dit minder snel vertonen.
Wanneer en waarom stopt probleemgedrag: op een gegeven moment stopt het gedrag in de ADL-groep.
Er is sprake van desistance omdat er geen of minder cumulatieve en contemporary effecten meer aanwezig
zijn. Ook vermindert de motivatie wanneer er sprake is van andere volwassen rollen, waardoor er minder
behoefte is om te laten zien dat je volwassen bent. De verschuiving van straffen en beloning wordt anders
wegens turning points in het leven bv. het krijgen van een vaste baan of relatie.
Implicaties voor interventie: bij het behandelen van de childhood persistent groep moet je er rekening
mee houden dat als je alle jeugd bij elkaar zet er sprake zal zijn van social mimicry. Daarnaast zit er een
nadeel aan het helpen van deze jongeren aan bijvoorbeeld een baan of een relatie, want zo bied je een
eigenlijk nieuwe context om het delictgedrag te vertonen. Met betrekking tot AL-groep is er sprake van
segregatie in de samenleving tussen verschillende leeftijdsgroepen; er zijn weinig volwassen rolmodellen,
maar juist veel ouderen. Je hebt nu wel staatprojecten waar ex-gedetineerden een adviesfunctie vervullen
voor de jeugd van nu, maar de “old heads” die de jongeren ook een ander voorbeeld kunnen, missen. Heel
veel criminaliteit van de AL-groep zit tegen de staat en materiële zaken. Het inzetten op individuele
kenmerken heeft voor deze groep juist minder effect.
Empirisch bewijs op het model van Moffitt: de vraag is of er misschien niet meer dan twee groepen zijn,
bijvoorbeeld late starters (pas in adolescentie probleemgedrag, maar dit wel doorzetten in hun hele leven)
en childhood only (alleen hier probleemgedrag). Ook toont onderzoek dat verschillende delict gedragingen
verschillende ontwikkelingen laten zien, zo neemt bijvoorbeeld fysieke agressie af waar relationele agressie
toeneemt. Daarnaast is de vraag hoe pathologische gedragingen (seksueel geweld, brandstichting) passen
in de twee groepen. Er is kritiek geweest op de basering op een Westerse samenleving en de vraag is of in
andere samenlevingen waar kinderen bijvoorbeeld eerder aan het werk moeten, dit gedrag ook te zien is.
Als laatst zegt het model niet veel over de invloed van moderne media waar dit juist kan zorgen voor
escalatie van de gedragingen.
Relevantie rechtspraak ~geskipt tijdens college~
Strafrechtelijk kader: het verschil tussen jeugd en volwassenen is geestelijke onvolgroeidheid. De
grondbeginselen van het jeugdstrafrecht heeft het belang van het kind centraal. Er is sprake van een
pedagogische insteek en het is dadergericht. Er zijn leeftijdsgrenzen in het strafrecht: <12 is niet
strafrechtelijk verantwoordelijk, 12-16 is jeugdstrafrecht, 16-18 is jeugdstrafrecht en eventueel
volwassenstrafrecht en tussen 18-23 is er volwassenrecht en eventueel jeugdstrafrecht.
16-17-jarigen en 18-23-jarigen: criteria voor het toepassen van volwassenstrafrecht zijn persoonlijkheid,
ernst van het feit of omstandigheden van het delict. Criteria voor het toepassen van het jeugdstrafrecht zijn
ook persoonlijkheid of omstandigheden van het delict. Voor de persoonlijkheid van de dader kan er
voorlichting en advisering door gedragsdeskundige worden aangeboden.
2
Introductie III
Ontwikkelingsmodellen
Ontwikkeling van externaliserend gedrag: Vanaf 12 jaar gaat
het aantal misdrijven omhoog. Dit komt mogelijk doordat
kinderen jonger dan 12 jaar niet in het systeem komen. Tussen
de 16 en 25 jaar bestaat er een piek. Verder is de algemene regel
dat met leeftijd het aantal misdrijven afneemt.
Dual taxonomy
Stelt dat de age-crime curve geen recht doet omdat er onderscheid gemaakt kan worden tussen:
1. Life-course persistent: dit is eigenlijk een heel klein percentage van de jeugdigen. Dit zijn jongeren
waarbij ervan jongs af aan sprake is van probleemgedrag, wat tot ver in de volwassenheid duurt. Dit
is het gevolg van negatieve transacties tussen neuropsychologische factoren en omgevingsfactoren
(nadelige omgeving, ouders). Deze factoren zijn (1) evocatief (uitlokkend); (2) reactief (mensen
reageren ergens op afhankelijk van persoonlijke kenmerken, is wederkerig met evocatief) of (3)
proactief (jongeren zoeken passende omgeving). De transacties zorgen voor twee processen: (1)
cumulatief (opbouwend, van kwaad tot erger) en (2) contemporary (probleemgedrag zorgt over de
tijd later weer voor problemen, zo is het gedrag hetzelfde maar de uiting en context anders bv. ruzie
met ouders, op school en later op werk), dus er is sprake van stabiliteit in context en tijd. Wat deze
groep dus kenmerkt is dat bepaalde individuele kenmerken samen met de omgeving keer op keer
voor probleemgedrag zorgen. Ook zijn er vaak geen sociale rolmodellen vanuit de omgeving. Het
afbakenen van deze groep is niet simpel. Zo zie je de groep vaak in de GGZ (5% van de populatie die
verantwoordelijk is voor bijna alle kosten van de gezondheidszorg). Ook is er samenhang met andere
stoornissen (depressie, angst, middelenmisbruik).
2. Adolescence-limited: dit is een grote groep jongeren en verklaart de bovengenoemde piek. Hier
hebben de meeste jongeren een prima kindertijd gehad en is er geen sprake van eerdere meldingen
bij instellingen zoals jeugdzorg. In de pubertijd gaat deze groep probleemgedrag vertonen tijdens de
majurity gap (5-10 jaar), maar hiervoor en hierna niet. Er zijn drie redenen voor deze gap:
1. Motivatie: er is discrepantie tussen de sociale en biologische volwassenheid bij het starten van
de pubertijd. Dit brengt een zekere spanning met zich mee en jongeren willen aantonen dat zij
ook autonoom zijn, vaak door delictgedrag (bv. roken, drinken). Daarnaast ontstaat er een
nieuwe sociale referentiegroep op de middelbare school die andere gedragingen vertoont.
2. Social mimicry: LCP-individuen gaan van de periferie van de sociale hiërarchie naar het centrum
van een peer groep met een voorbeeldfunctie. De AL-groep gaat dit gedrag imiteren. Ook is
er sprake van beïnvloeding want je wil bevestiging van een groep. Het kan door invloed van
vrienden maar ook door admiration van mensen waarnaar wordt opgekeken.
3. Bevestiging (reinforcement): de (negatieve) reacties van ouders en school zorgen er eigenlijk
voor dat jongeren extra delictgedrag vertonen om zo hun volwassenheid bewijzen.
1
, Wie vertoont geen probleemgedrag: deze groep wordt abstainers genoemd. Een factor van delictgedrag
is vroege pubertijd, want als je juist later pubert is het spanningsveld tussen fysieke en sociale ontwikkeling
kleiner. Daarnaast is de rol van antisociale rolmodellen erg belangrijk, want als deze er niet zijn wordt er ook
geen norm gelegd dat risicovol gedrag samenhangt met status. Persoonlijke kenmerken hebben ook een
rol; overcontrollers en individuen met neurotische trekken hebben meer oog op de consequenties van het
delictgedrag, waardoor zij dit minder snel vertonen.
Wanneer en waarom stopt probleemgedrag: op een gegeven moment stopt het gedrag in de ADL-groep.
Er is sprake van desistance omdat er geen of minder cumulatieve en contemporary effecten meer aanwezig
zijn. Ook vermindert de motivatie wanneer er sprake is van andere volwassen rollen, waardoor er minder
behoefte is om te laten zien dat je volwassen bent. De verschuiving van straffen en beloning wordt anders
wegens turning points in het leven bv. het krijgen van een vaste baan of relatie.
Implicaties voor interventie: bij het behandelen van de childhood persistent groep moet je er rekening
mee houden dat als je alle jeugd bij elkaar zet er sprake zal zijn van social mimicry. Daarnaast zit er een
nadeel aan het helpen van deze jongeren aan bijvoorbeeld een baan of een relatie, want zo bied je een
eigenlijk nieuwe context om het delictgedrag te vertonen. Met betrekking tot AL-groep is er sprake van
segregatie in de samenleving tussen verschillende leeftijdsgroepen; er zijn weinig volwassen rolmodellen,
maar juist veel ouderen. Je hebt nu wel staatprojecten waar ex-gedetineerden een adviesfunctie vervullen
voor de jeugd van nu, maar de “old heads” die de jongeren ook een ander voorbeeld kunnen, missen. Heel
veel criminaliteit van de AL-groep zit tegen de staat en materiële zaken. Het inzetten op individuele
kenmerken heeft voor deze groep juist minder effect.
Empirisch bewijs op het model van Moffitt: de vraag is of er misschien niet meer dan twee groepen zijn,
bijvoorbeeld late starters (pas in adolescentie probleemgedrag, maar dit wel doorzetten in hun hele leven)
en childhood only (alleen hier probleemgedrag). Ook toont onderzoek dat verschillende delict gedragingen
verschillende ontwikkelingen laten zien, zo neemt bijvoorbeeld fysieke agressie af waar relationele agressie
toeneemt. Daarnaast is de vraag hoe pathologische gedragingen (seksueel geweld, brandstichting) passen
in de twee groepen. Er is kritiek geweest op de basering op een Westerse samenleving en de vraag is of in
andere samenlevingen waar kinderen bijvoorbeeld eerder aan het werk moeten, dit gedrag ook te zien is.
Als laatst zegt het model niet veel over de invloed van moderne media waar dit juist kan zorgen voor
escalatie van de gedragingen.
Relevantie rechtspraak ~geskipt tijdens college~
Strafrechtelijk kader: het verschil tussen jeugd en volwassenen is geestelijke onvolgroeidheid. De
grondbeginselen van het jeugdstrafrecht heeft het belang van het kind centraal. Er is sprake van een
pedagogische insteek en het is dadergericht. Er zijn leeftijdsgrenzen in het strafrecht: <12 is niet
strafrechtelijk verantwoordelijk, 12-16 is jeugdstrafrecht, 16-18 is jeugdstrafrecht en eventueel
volwassenstrafrecht en tussen 18-23 is er volwassenrecht en eventueel jeugdstrafrecht.
16-17-jarigen en 18-23-jarigen: criteria voor het toepassen van volwassenstrafrecht zijn persoonlijkheid,
ernst van het feit of omstandigheden van het delict. Criteria voor het toepassen van het jeugdstrafrecht zijn
ook persoonlijkheid of omstandigheden van het delict. Voor de persoonlijkheid van de dader kan er
voorlichting en advisering door gedragsdeskundige worden aangeboden.
2