Gezamenlijke huishouding
CRvB 6 december 2016, CRVB:2016:4487 (Samenwonen met
zorgverlener)
Appellante huurt sinds 1994 een kamer van B. Appellante is volledig
rolstoelafhankelijk geworden en heeft een zorgovereenkomst met B gesloten.
Het salaris van B wordt betaald uit het pgb. College heeft de bijstand van
appellante ingetrokken, omdat zij een gezamenlijke huishouding zou voeren met
B en omdat de inkomsten van B hoger zijn dan de bijstandsnorm voor
gehuwden.
- Het bezwaar is ongegrond verklaard door de gemeente, omdat appellante
en B als gehuwden moeten worden aangemerkt, nu weliswaar bij
appellante sprake is van zorgbehoefte, maar zij geen bloedverwanten in
tweede graad zijn (zoals de uitzondering in art. 3 lid 2 sub a Pw).
- Het beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard, omdat is voldaan
aan art. 3 lid 3 Pw. De beroepsgrond dat ongerechtvaardigd onderscheid
wordt gemaakt tussen bloedverwanten in de eerste/tweede graad met
zorgbehoefte en andere ongehuwd samenwonenden is afgewezen omdat
geen sprake is van gelijke gevallen.
- De CRvB overweegt dat de gezamenlijke huishouding en de zorgbehoefte
niet in geschil zijn. hierbij legt de CRvB nog uit wie worden aangemerkt
als zorgbehoeftige:
o Personen van wie reeds is vastgesteld dat zij vanwege ziekte of
stoornis van lichamelijk, verstandelijke of geestelijke aard in
aanmerking komt voor opnamen in een Wlz-inrichting; en
o Als de persoon wegens ziekte of voornoemde stoornis duurzaam is
aangewezen op dagelijkse hulp bij alle of de meeste algemene
dagelijkste levensverrichtingen, of is aanwezen op constant toezicht
teneinde mogelijk gevaar voor zichzelf en anderen te voorkomen.
- Vervolgens overweegt de CRvB dat voor een verboden ongelijke
behandeling pas sprake is als geen objectieve en redelijke
rechtvaardiging is gegeven. Hierbij heeft de wetgever op het terrein van
sociale zekerheid een ruime beoordelingsvrijheid.
- Hierna bekijkt de CRvB de wetsgeschiedenis van het artikel en ziet geen
enkel aanknopingspunt voor een gerechtvaardigd verschil tussen
bloedverwanten in de tweede graad waarin er één zorgbehoevend is en
andere ongehuwden waarvan er één zorgbehoevend is, en ziet juist
aanwijzingen voor het tegendeel.
o De reden dat het bij de tweedegraads bloedverwanten waarvan er
één zorgbehoevend is, maar om een kleine groep gaat en dat het
een maatschappelijk probleem is (zoals genoemd in de
wetsgeschiedenis) is ook geen rechtvaardiging.
o Zeker ook omdat het een feit van algemene bekendheid is dat in de
huidige tijd familiebanden bij de invulling van concrete zorg niet
langer allesbepalend zijn.
o Art. 3 lid 2 aanhef en onder a Pw moet buiten toepassing worden
gelaten wegens strijd met art. 26 IVBPR.
- De Raad kan niet zelf in de zaak voorzien, omdat onduidelijk is wat
precies de situatie is en of zonder meer de kostendelersnorm wel van
toepassing is.
CRvB 31 januari 2017, CRVB:2017:333 (Zelfstandig subject)
Bijstand aanvraag is geweigerd. Na bezwaar is dit besluit gehandhaafd.
Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat is gebleken dat appellante en
Pagina 1 van 9
, Bijeenkomst 4 (Participatiewet) | [Naam van auteur]
haar voormalig echtgenoot hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning met hun
kinderen. Hierdoor is sprake van een onweerlegbaar rechtsvermoeden van het
bestaan van een gezamenlijke huishouding, waardoor appellante niet als
zelfstandig subject recht op bijstand heeft.
- De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
- De CRvB overweegt dat in art. 3 lid 4 sub a Pw een onweerlegbaar
rechtsvermoeden is neergelegd met betrekking tot voormalig gehuwden
die nog samenwonen. Appellante heeft een beroep gedaan op het
individualiseringsbeginsel (art. 18 lid 1 Pw). Hiertoe heeft zij gesteld dat
zij zonder inkomen niet in aanmerkingkomt voor een sociale huurwoning,
waardoor zij de (voormalig) echtelijke woning niet kan verlaten.
o Appellante heeft geen gegevens overlegd waaruit blijkt dat het
recht op bijstand een voorwaarde is voor het verkrijgen van een
woning.
Meer in het bijzonder heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat
als zij wel bijstand zou hebben ontvangen, zij dan een
concreet woningaanbod zou hebben gekregen.
o Appellante is er hierom niet in geslaagd de noodzaak aannemelijk
te maken dat haar, in afwijking van het onweerlegbaar
rechtsvermoeden, als zelfstandig subject bijstand moet worden
verleend.
o Raad merkt tot slot op dat indien appellante een concrete
woonruimte in he vooruitzicht heeft, zij opnieuw een aanvraag kan
indienen en dat er dan overleg tussen appellante, college en
verhuurder kan plaatsvinden.
CRvB 1 augustus 2017, CRVB:2017:2644 (Wederzijdse zorg)
Appellant heeft viermaal een aanvraag ingediend ingevolge de Wet werk en
bijstand (WWB), naar de norm van alleenstaande. De latere besluiten zijn
gebaseerd op het feit dat in het eerste besluit een gezamenlijke huishouding is
aangenomen. De aanvragen zijn viermaal afgewezen en ook de bezwaren zijn
ongegrond verklaard.
- Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of
appellant en W in periode I (tijdens het eerste besluit) een gezamenlijke
huishouding voerden. Niet in geschil is dat appellant in de periode zijn
hoofdverblijf had in de woning van W, maar in geschil is de vraag of is
voldaan aan het criterium van de wederzijdse zorg (art. 3 lid 3 Pw).
- De CRvB overweegt dat wederzijdse zorg kan blijken uit een bepaalde
mate van verstrengeling tussen betrokkenen die verder gaat dan het
uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten.
- Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate spr
ake is, kunnen ook
andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de
betrokkenen in elkaars
zorg voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen geblek
en feiten en
omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor
het antwoord op de
vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan. Voor het
aannemen van
wederzijdse zorg is niet noodzakelijk dat de door ieder van beiden gebode
n zorg jegens elkaar dezelfde omvang en intensiteit heeft.
- In bestreden besluit I komt niet tot uitdrukking wat de wederzijdse zorg
precies inhield. Ter zitting is dit toegelicht door de gemeente:
Pagina 2 van 9