Achtergrondinformatie
Leerboek psychiatrie, H9 psychotische stoornissen (Hengeveld et al. 2009)
Psychotische stoornissen worden gekenmerkt door een of meer van de volgende symptomen:
wanen (vaststaande ideeën die niet aanpasbaar zijn als er tegenstellend bewijs is, bijv. ervan
overtuigd zijn dat anderen tegen jou samenspannen), hallucinaties (het ervaren van percepties
zonder externe stimuli) en/of desorganisatie van het gedrag.
De psychotische stoornissen zijn geclassificeerd volgens de DSM-V. Schizofrenie ontwikkelt zich
meestal geleidelijk. Voordat de symptomen van de aandoening (zoals terugtrekken en verwaarlozing
van zichzelf) ontstaan, ontwikkelen veel patiënten zich normaal. Toch constateert men achteraf dat er
vaak voordat de ziekteverschijnselen optraden er wat merkwaardigs speelde, zoals introversie,
beperkte levendigheid of sneller angstig zijn. Echter, deze kenmerken zijn niet specifiek en sensitief
genoeg om patiënten die later schizofrenie ontwikkelen vroegtijdig te herkennen. Psychotische
symptomen kunnen ook acuut ontstaan na een ingrijpende levensgebeurtenis. De
psychopathologische kenmerken zijn divers en kunnen globaal worden onderverdeeld in positieve
en negatieve symptomen. Positieve symptomen (bijv. hallucinaties en wanen) treden voornamelijk in
de acute fase van de psychose op de voorgrond en kunnen zowel episodisch als blijvend zijn.
Negatieve symptomen (het ontbreken van uitingen van psychische functies die normaal wel
aanwezig zijn) ontwikkelen zich meestal pas na verloop van zijn en zijn vaak kenmerkend voor een
chronische schizofrenie. Ze gaan vaak samen met cognitieve functiestoornissen. Naast de
onderverdeling van positief en negatief en de symptomen hallucinaties en wanen zijn er nog andere
symptomen, zoals onsamenhangende spraak (stoornis in de organisatie van het denken, wat bijv.
leidt tot onlogische verbanden leggen of onvolgbare gedachtegang) en chaotisch of katatoon
gedrag. Katatoon gedrag kan gekenmerkt worden door een stupor: (vrijwel) complete
bewegingloosheid en het ontbreken van gesproken taal (mutisme) bij een helder bewustzijn. Chaotisch
gedrag kan begrepen worden als een gevolg van volledig ongericht handelen. Op basis van de meest
vooropstaande symptomen worden vijf types schizofrenie onderscheiden: paranoïde type
(preoccupatie met wanen en/of hallucinaties), gedesorganiseerde type (aanwezigheid van
onsamenhangende spraak, chaotisch gedrag en vlak of inadequaat affect), katatone type
(aanwezigheid van motorische onbeweeglijkheid, overmatige motorische activiteit, extreem
negativisme, mutisme, vreemde willekeurige bewegingen, echolalie (zinnen/woorden herhalen) of
echopraxie (bewegingen nabootsen)), ongedifferentieerde type (een combinatie van enkele
symptomen van de voorafgaande types) en resttype (er is sprake geweest van een volledige
psychotische episode, maar momenteel zijn er geen wanen, hallucinaties, onsamenhangende spraak of
chaotisch gedrag, alleen vreemde overtuigingen of ongewone zintuigelijke ervaringen).
De criteria voor de diagnose schizofreniforme stoornis komen grotendeels overeen met die van
schizofrenie, maar bij de schizofreniforme stoornis duren de symptomen langer dan één maand en
korter dan zes maanden. Bovendien keert het functioneren na het verdwijnen v/d symptomen van de
stoornis terug tot het premorbide niveau.
De schizoaffectieve stoornis is een heterogene groep aandoeningen die zowel kenmerken van
schizofrenie als van een stemmingsstoornis bevat. Depressieve en/of manische symptomen moeten
een belangrijk deel v/d tijd dat patiënten last hebben van de aandoening aanwezig zijn. Daarnaast
moet er een periode van minimaal twee weken zijn geweest waarin wanen en hallucinaties aanwezig
waren zonder prominente symptomen van een stemmingsstoornis. Indien patiënten alleen
psychotische symptomen hebben gedurende depressieve en/of manische episoden is er geen sprake
van een schizoaffectieve stoornis, maar van een bipolaire stoornis.
De inhoud van de waan bij een waanstoornis heeft te maken met de positie van de patiënt ten
opzichte van anderen, waarbij ze zich vaak tekortgedaan of benadeeld voelen door instanties of door
een partner. De waan is niet bizar en vaak functioneert de patiënt buiten de invloedssfeer van de waan
betrekkelijk normaal. Negatieve symptomen treden niet op en behandeling wordt niet opgezocht en
indien aangeboden/aangeraden afgewezen. Antipsychotica worden vrijwel nooit geaccepteerd en zijn
meestal niet effectief.
Een kortdurende psychotische stoornis is de minst ernstige psychotische stoornis, waarbij er na
korte tijd volledig herstel volgt. Geregeld volgt de psychotische periode op een belastende gebeurtenis,
waarbij rust, ondersteuning en een kortdurende behandeling met antipsychotica de oplossing zijn.
Diagnostiek
1
,De diagnose is geheel gebaseerd op de anamnese en het psychiatrisch onderzoek. In de acute fase is
het soms moeilijk om met de patiënt in gesprek te gaan, doordat ze vaak geen ziektebesef hebben en
vinden dat er niets met hen aan de hand is. De observatie van de patiënt kan dan helpen om de
diagnose te stellen, bijvoorbeeld door onverzorgdheid van de patiënt en/of zijn huisouden en vreemd
gedrag wat mogelijk te maken heeft met de hallucinatoire beleving. Verder kunnen gegevens van
familie, huisarts en omgeving behulpzaam zijn dat er mogelijk sprake is van een psychotische stoornis.
Als de patiënt bereid en in staat is om met de onderzoeker te spreken, is de diagnostiek van een
psychotische stoornis niet moeilijk. Er kan gevraagd worden naar de aanwezigheid van hallucinaties en
wanen en/of onsamenhangende spraak of denkstoornissen worden opgemerkt tijdens het gesprek. De
diagnostiek wordt gecompleteerd door informatie over de duur van de stoornis, aanleidingen en
gevolgen van de aandoening.
Differentiële diagnose
Een eerste stap in de differentiële diagnostiek van psychotische stoornissen is na gaan of er sprake is
van somatische aandoeningen die de psychotische symptomen hebben veroorzaakt. Vervolgens
onderzoekt men of het gebruik (intoxicatie) of de onthouding van een middel de psychose heeft
veroorzaakt. Ten slotte wordt onderscheid gemaakt tussen de verschillende psychotische stoornissen,
waarbij gekeken wordt naar de duur van de aandoening.
Epidemiologie
De incidentie van schizofrenie is 0.2% en het komt meer voor bij mannen dan bij vrouwen. Bij
mannen treden de symptomen meestal voor het 30e levensjaar op en bij vrouwen bij ongeveer de helft
na het 30e levensjaar. Ook komt het meer voor in stedelijke gebieden van geïndustrialiseerde landen.
De incidentie en prevalentie variëren wereldwijd, waarbij het beloop van de aandoening in
ontwikkelingslanden milder is dan in de westerse wereld. Middelengebruik komt veel voor bij patiënten
met schizofrenie. Een waanstoornis komt zeer zelden voor; de prevalentie wordt geschat op 0.03%.
Van een schizofreniforme stoornis en een kortdurende psychotische stoornis is onbekend hoe
vaak het voorkomt. Een gedeelde psychotische stoornis is zeer zeldzaam.
Etiopathogenese
Neurobiologische factoren
o De kwetsbaarheid voor het ontwikkelen van schizofrenie wordt voornamelijk bepaald
door genetische factoren in interactie met omgevingsfactoren. Iemand met een
eerstegraadsfamilielid met schizofrenie heeft een vijf-vijftienmaal hogere kans om
schizofrenie te ontwikkelen dan iemand die dit niet heeft
o De kwetsbaarheid voor het ontwikkelen van schizofrenie hangt samen met meerdere
genetische factoren die elk afzonderlijk frequent voorkomen in de bevolking. Door de
complexe relaties en de geringe bijdrage van afzonderlijke genen vordert het onderzoek
naar genetische factoren bij schizofrenie langzaam
o Door cannabisgebruik neemt de kans op een psychotische aandoening toe met een
factor twee. Cannabisgebruik is een deeloorzaak welke slechts in combinatie met andere
factoren (zoals genen) een causaal effect heeft op het ontstaan van een psychotische
stoornis.
o Men vermoedt dat schizofrenie het gevolg is van een neurobiologische
ontwikkelingsstoornis. Stoornissen in de vorming van neurale netwerk kunnen onder
invloed van veranderingen in de adolescentie aanleiding geven tot functiestoornissen en
de ontregeling van dopaminerge transmissie speelt waarschijnlijk een rol bij het ontstaan
van positieve en negatieve symptomen. Ook zijn mogelijk afwijkingen in de prefrontale
cortex en het limbische systeem erbij betrokken. Mogelijk spelen naast de
ontwikkelingsstoornis ook neurodegeneratieve processen een rol bij het ontstaan en het
beloop van schizofrenie. Uit longitudinaal onderzoek is gebleken dat in de loop van de
aandoening de hoeveelheid grijze stof afneemt. Er zijn aanwijzingen dat de mate waarin
deze afname progressief is, samenhangt met de prognose
o Er zijn ook pre- en perinatale risicofactoren geïdentificeerd, zoals geboren worden in de
winter en in een stad, infecties, ondervoeding, stress bij de moeder en obstetrische
complicaties (tijdens geboorte, bijv. perinatale hersenbeschadiging)
Psychologische factoren
o Sociale factoren (migratie, bevolkingsdichtheid) of factoren die daarmee
samenhangen, hebben invloed op de incidentie van schizofrenie. Zo komt het
bijvoorbeeld meer voor bij zowel de eerste als de tweede generatie van bepaalde
groepen migranten, wat vooral samenhangt met het ervaren van discriminatie, gevoel
van onzekerheid en gebrek aan vertrouwen. Deze symptomen hangen samen met de
ontregeling van de dopaminerge neurotransmissie
2
, Prevalentie
Er is veel onderzoek gaande naar de mogelijkheid om patiënten die een psychose ontwikkelen op te
sporen in de prodromale fase, maar er zijn nog geen factoren geïdentificeerd die voldoende specifiek
en sensitief zijn om een psychotische stoornis te voorspellen en er is dus ook nog gene interventie voor
patiënten in een mogelijk prodromale fase. Wel is het zinvol om jongeren die slechter gaan
functioneren, zich terugtrekken en lichte psychotische symptomen vertonen nauwlettend te volgen,
zodat spoedig met behandeling kan worden begonnen indien er een psychose ontstaat
Behandeling
De behandeling bestaat uit medicamentkeuze en psychosociale interventies. Het is gericht op
symptoomreductie en het voorkomen van redicief (terugval) en exacerbaties (toename van
ziektesymptomen), maar ook op het verbeteren van het sociaal functioneren en het verhogen
van de kwaliteit van leven. De behandeling moet worden volgehouden, omdat de behandeling
de gevolgen van de aandoening verbeterd, maar niet genezend werkt. Een vertrouwensrelatie
opbouwen kost vaak geruime tijd, dus eenzelfde behandelaar voor een patiënt is ideaal
Farmacologische behandeling
o Behandeling met antipsychotica is de belangrijkste neurobiologische interventie. Bij
ongeveer 70% van de patiënten verminderen de symptomen binnen enkele dagen tot
weken. Veel bijwerkingen zijn gerelateerd aan de dosering, dus een zo laag mogelijke
effectieve dosering moet worden gezocht. Voorbeelden van middelen zijn haloperidol,
perfenazine, clozapine en risperidon. Er is nog onvoldoende informatie om een
definitieve keuze te maken voor een bepaald antipsychoticum als eerstekeuzemiddel
Psychologische behandeling
o Deze interventies lopen uiteen van voorlichting over de aandoening, gezinsgesprekken,
cognitieve therapie, sociale vaardigheidstraining en rehabilitatieprogramma’s gericht op
werk en wonen. Verschillende factoren moeten meegenomen worden om tot een
passende psychologische behandeling te komen, zoals de fase van de aandoening, de
mate van de beperkingen, steun vanuit de omgeving en persoonlijkheidskenmerken
Beloop
Positieve symptomen zijn meestal goed te behandelen en negatieve symptomen blijven vaak in
meer of mindere mate aanwezig. Redicieven en exacerbaties treden op bij ongeveer 75% van de
patiënten. Bij de meeste patiënten wisselen psychotische episoden en perioden van (gedeeltelijke)
remissie elkaar af. Het beloop van schizofrenie is bij mannen slechter dan bij vrouwen; mannen hebben
meer last van negatieve symptomen en een slechter sociaal functioneren. De aandoening begint vaak
op jeugdige leeftijd en veroorzaakt meestal blijvende beperkingen, waardoor behandeling en
ondersteuning nodig zijn en blijven. Ongeveer 75% van de patiënten is niet in staat om te werken,
waardoor de maatschappelijke kosten hoog zijn. De klinische verblijfplaatsen voor deze patiënten zijn
in veel landen fors gereduceerd, waardoor er bijvoorbeeld vaker dakloosheid en forse belasting voor
familieleden optreedt. Patiënten met schizofrenie hebben een hogere mortaliteit ten gevolge van
ongelukken, ziekte en suïcide (10%). Na de eerste vijf tot tien jaar van de ziekte treedt meestal geen
verdere verslechtering van het klinische beeld meer op. Het gebruik van antipsychotica helpt goed om
psychotisch redicief te voorkomen.
Samenvatting blok 1.6 schizofrenie
Wat is schizofrenie?
Psychotische stoornis die gekarakteriseerd wordt door diverse symptomen, zoals extreme
afwijkingen in percepties, denken, acties, gevoelens over de zelf en omgang met anderen
Belangrijkste kenmerk is een significant verlies van contact met de realiteit = psychose
Risico om schizofrenie te ontwikkelen in je leven is rondt de 0.7% 1 op 140 mensen Volgens
Nolan 1-2% in de VS en wereldwijd 0.5 – 2 %
Ontwikkelt zich meestal in de late adolescentie of vroege volwassenheid (tussen de 18-30 jaar
piek)
Piekmoment om schizofrenie te ontwikkelen verschilt tussen mannen en vrouwen
o Mannen tussen de 20-24 meer kans op vroeg begin van de stoornis
o Vrouwen tussen 20-24 (maar minder dan mannen) en rondt de 40
Brein abnormaliteiten als gevolg van schizofrenie zouden heviger zijn bij mannen dan bij
vrouwen vrouwelijke geslachtshormonen zouden mogelijk een beschermende rol spelen,
vooral oestrogeen
Ratio man:vrouw is 3:2
90% van de mensen met schizofrenie zoekt hulp
Stoornis die de levensverwachting negatief beïnvloedt
o Mannen zouden 14.6 jaar eerder sterven dan de landsnorm (UK)
3