Ontwikkelingsfasen kindertijd ( 0 – 12 jaar)
Je weet wat de begrippen groei, rijping en leren inhouden.
Groei: Hieronder verstaan we de toename van cellen en een toename van lengte en gewicht.
- Mate van groei is in sterke mate erfelijk bepaald
- Factoren uit omgeving hebben beperkte invloed hierop
Rijping: Heeft te maken met het in staat zijn om nieuwe functies te vervullen en is een lichamelijk of
fysiologisch proces.
- Rijping wordt nauwelijks beïnvloedt door omgeving, veelal autonoom, bijv. kind van 3 maanden nog
niet leren lopen als omgeving wil omdat lichaam daar nog niet klaar voor is.
- Kan in prenatale periode door roken alcoholgebruik etc. negatief beïnvloed worden
Leren: Een blijvende verandering in wat iemand kan of weet op grond van ervaring.
- Omgeving speelt belangrijke rol. Mogelijkheden om te kunnen profiteren van geboden ervaringen te
maken met erfelijke factoren zoals intelligentie.
- Kunnen stoornissen ontstaan door gedrag van moeder tijdens zwangerschap, heeft te maken met
rijping zenuwstelsel
Je kent het ontwikkelingsverloop van het ongeboren kind per trimester
Eerste trimester Embryonale fase:
- Bestaat uit 2 periodes, eerste twee weken (1e periode) en de volgende 6 tot 10 weken (2e periode)
- Eerste periode innesteling van bevruchte eicel in baarmoeder,
- Eerste 2 weken waarin celdeling van zygote (bevruchte eicel) plaatsvindt heet germinale fase.
- Tweede periode ontwikkelt het centrale zenuwstelsel, ogen, hart oren, tanden, gehemelte en externe
genitaliën.
Tweede trimester:
- Foetus gaat allerlei bewegingen maken, buigen, strekken, handen sluiten, kruip- en klimbewegingen.
- Loopt van 4e tot 6e maand
- Rond 21 weken afzonderlijke bewegingen handjes, hoofd en voetjes te onderscheiden
- Ontwikkelen de meeste reflexen
- Foetus ong. 25 cm lang halverwege zwangerschap
Derde trimester:
- Kenmerkt zich vooral door snelle gewichtstoename foetus
- Laatste maanden kan foetus allerlei externe prikkels onderscheiden, bijv. licht en donker, smaak,
harde muziek met hoge tonen hoeren. Voorkeur voor zoete smaak.
Je kent de 8 reflexen die een ongeboren kind heeft en die in de loop van de ontwikkeling ook weer
verdwijnen.
Reflexen= onbewuste en automatische fysiologische reacties op prikkels en veranderingen in de omgeving.
Reflexen die het ongeboren kind heeft en die in loop v.d. ontwikkeling weer verdwijnen
Staat in boek bij dat dit volgorde is op volgorde van verschijnen maar klopt volgens mij niet.
1. De uterine withdrawal reflex: het terugtrekken van het lichaam bij knijpen van de tenen. Deze reflex
ontstaat tussen de 5e en 7e week en verdwijnt in 32e week voor de geboorte.
2. De mororeflex: de ledematen worden eerst gespreid en sluiten dan met een zwaai naar voren. Als een
moeder moest vluchten kon de baby dankzij deze reflex aan haar vastklemmen. Ontstaat tussen 9 en
12 weken. Gaat weg 2 tot 4 maanden na geboorte.
3. De plantar reflex of babinskyreflex: tenen spreiden zich bij het aanraken v.d. voetzool. Ontstaat in 11 e
week voor geboorte en verdwijnt tussen 7e en 9e maand na geboorte.
4. De palmar reflex of grijpreflex: de vingers sluiten bij lichte aanraking op de palm van de hand. Deze
reflex ontstaat in de 11e week voor de geboorte en verdwijnt tussen 2e en 3e maand na geboorte.
5. De asymmetrische tonische nekreflex: het hoofd dat naar een kant buigt, roept het strekken van been
en arm aan dezelfde kant van het hoofd op. Ontstaat in 18 e week voor geboorte en verdwijnt tussen 3e
en 9e maand na geboorte.
6. De spinal galant reflex: bij stimulatie van buik of rug roteert of buigt ruggenmergkanaal 45 graden
naar gestimuleerde kant. Ontstaat 20e week voor geboorte verdwijnt tussen 3e en 9e maand na
geboorte.
, 7. De rooting reflex en sucking reflex: bij een lichte aanraking van de wang of de mondrand draait het
hoofd in de richting van de stimulus en gaat de mond open met uitgestoken tong anticipatie op het
zuigen. Ontstaat tussen 24e en 28e week voor geboorte en verdwijnt tussen 3e en 4e maand na
geboorte.
8. De tonische labyrinthine reflex forewards : bij bewegen van het hoofd voor- en achterwaarts buigt het
hoofd boven en onder het niveau van de ruggengraat door. Ontstaat 12 e week voor geboorte en
verdwijnt in 3e tot 4e maand na geboorte.
Je kent de verschillende opvattingen over het bewustzijn en of dat bij een (ongeboren) kind aanwezig is
- Leertheoretische of behavioristische visie: wordt ervan uitgegaan dat mens na geboorte een
onbeschreven blad is en wordt bepaald door leerervaringen. Volgens deze visie is het aannemelijk te
veronderstellen dat mens voor geboorte als geconditioneerd wordt door prenatale ervaringen. Dit zou
verklaren waarom ene mens bijv. rustiger of angstiger is na geboorte dan andere.
- Biologische visie: interne of erfelijke factoren bepalen de mens. Is niet aannemelijk dat er sprake is van
prenataal bewustzijn bij deze interne factoren, hoewel bepaalde reacties op die factoren geregistreerd
kunnen worden, deze worden als onbewust beschouwd.
- Omgevingspsychologische visie: mens wordt bepaald door wisselwerking tussen sociale en ruimtelijke/
materiele omgeving, verschillen in hartslag zouden kunnen duiden op lage vorm van besef of weten.
- Cognitivistische visie: informatieverwerking en zelfsturing mens bepalend zijn. Bewustzijn wordt aan
het vormen van geheugen gekoppeld. Voor de geboorte nog geen sprake van bewuste
geheugenvorming en van geheugen strategieën.
- Psychoanalytische visie: biologische aanleg en de opvoedingservaringen in eerste levensjaren
belangrijke factor binnen unieke levensgeschiedenis, bepalend voor persoonlijkheid en ontwikkeling.
Wel sprake van vorm van besef in baarmoeder. Later wordt dat besef weer vergeten en opgeslagen in
onbewuste.
- Humanistische visie: individuele belevingen, de ruimte voor noodzakelijke zelfontplooiing en eigen
verantwoordelijkheid bepalende factoren zijn. Stroming is mix van psychoanalyse en behaviorisme, die
beide visies kunnen ook van toepassing zijn op humanistische.
Je weet wat teratogenen zijn en kent de belangrijkste middelen waarvan het effect op prenatale
ontwikkeling bekend is.
Teratogenen: middelen die van buiten komen en schadelijke invloed hebben op prenatale ontwikkeling.
Alcohol- en/of drugsgebruik:
- Foetus kan stoppen met ademen bij teveel roken.
- Mogelijk dat pasgeborene geen juiste reactie geeft op zuurstofgebrek. Ze denken dat wiegendood met
zuurstofgebrek te maken kan hebben.
- Alcohol, het foetaal alcoholsyndroom.
Medicijngebruik:
- Ernstige lichamelijke afwijkingen van embryo, bijv. ontbreken grote hersenen
- Sommige afwijkingen leiden al vroeg tot miskraam
Ondervoeding:
- Neurologische afwijkingen van het kind.
Infecties:
- Rode hond, 50% kans afwijking bij geboorte
- Aids: 95% besmette baby’s overlijd voor 3e levensjaar.
Zware stress:
- Kan leiden tot meer roken moeder, meer medicijngebruik of alcohol, dat zorgt voor effect op foetus.
Leeftijd a.s. moeder:
- Kans op syndroom van Down, hoe ouder moeder hoe meer kans
Leeftijd a.s. vader:
- Vaders ouder dan 50 meer kans op kind die Schizofrenie ontwikkelt
- Vader boven 35 jr meer kans op lichtere baby’s, lichtere baby’s weer meer kans op afwijkingen.
Te kleine moederkoek of placenta:
- Verminderde toevoer zuurstof en voedingsstof, ontwikkeling foetus nadelig beïnvloed
Je kunt de belangrijkste complicaties rondom de geboorte en mogelijke gevolgen ervan beschrijven.
, - Zuurstofgebrek bij de foetus → het gebrek aan zuurstof kan leiden tot hersenbeschadiging
- Vroeggeboorte(prematuriteit) → hoe lager het geboortegewicht, hoe meer kans op
ontwikkelingsstoornissen.
- Een foetus met een reeds bestaande neurologische stoornis is minder in staat om een bevalling in
gang te helpen zetten, doordat de reflexen minder goed functioneren.
Je kent de twee groeirichtingen waarlangs de motorische ontwikkeling verloopt.
- De cefalocaudale groeirichting: de motorische ontwikkeling begint bij het hoofd (de cefalus) en gaat
vandaar verder naar beneden toe tot de staart(de cauda). De baby kan dus eerst zijn hoofd bewegen
uit eigen wil en pas daarna ontdekt hij hoe zijn ledematen werken en dan kan hij ook bijv. doelgericht
grijpen.
- De promixodistale groeirichting: de baby kan zijn ledematen eerder beheerst gebruiken als hij wil
grijpen naar voorwerpen die dicht bij zijn romp liggen. De beheersing wordt dus minder als de
voorwerpen verder van de romp verwijderd zijn.
Je weet hoe de ontwikkeling van het leren verloopt en wat daarbij bekend is over de werking van de
zintuigen en van de motoriek.
Leren: blijvende verandering in wat iemand kan en weet op grond van ervaring.
- Via de zintuigen en de motoriek doet het kind ervaring op
- De eerste leerervaringen doet de baby op via zijn zintuigen en binnen de grenzen van zijn eigen
lichaam. De mogelijkheden van zijn lichaam en de beleving daarvan zijn dus van wezenlijk belang voor
zijn ontwikkeling.
De menselijk zintuigen:
- Horen → de pasgeboren baby reageert de eerste 6 maanden vooral met zijn gehoor op prikkels. Ook
hebben ze direct een zuiver gehoor waarmee ze alle klanken kunnen onderscheiden, ook klanken die
geen deel uitmaken van de moedertaal.
- Zien → eerst sturen de prikkels via het horen de oogspieren aan. Prikkels via het zien doen dit nog
niet. Dit zie je ook bij blindgeboren baby's. Zij volgen ook met de ogen via de prikkels van het horen.
o Vanaf twee weken kunnen baby's gezichten onderscheiden. Dit heeft te maken met de vorm
van het gezicht.
o Na vier maanden kunnen baby's onderscheid maken tussen mensen en voorwerpen. Ook dan
zijn ze over het algemeen in staat tot het maken van grijpbewegingen als ze een bewegend
voorwerp waarnemen.
o Baby's zien bij de geboorte zwart-wit. De vorming van kegeltjes op het netvlies, noodzakelijk
voor de waarneming van kleuren vindt plaats na de geboorte.
o Na ongeveer zes maanden is het zien belangrijker dan het horen.
- Ruiken → De reuk is het eerste zintuig dat van belang is voor de baby. Vanaf de geboorte reageert de
baby op de geur van de moederborst. Zo kan hij zich oriënteren op het voedsel.
- Voelen de baby heeft al over zijn hele lichaam zenuwuiteinden, waardoor hij gevoelig is voor
aanrakingen. Meisjes zijn meestal gevoeliger dan jongens. Dit komt omdat hun huid vaak eerder
gerijpt is.
- Proeven Baby's zijn goed in staat om zoete en zoute smaken te onderscheiden. Ze hebben een
uitgesproken voorkeur voor zoet.
o De mond is ook belangrijk als tastorgaan, vooral de lippen en de tong. Zo leert de baby allerlei
eigenschappen van materialen en vormen kennen. De baby kijkt als het ware met de mond.
- Motoriek → baby leert zijn omgeving kennen door ervaring met de motoriek(sensomotorische
ervaringen). Dit verloopt via een vast patroon en dit is samengesteld uit een aantal regels:
o De oriëntatieregel: als er iets opvallends gebeurt dat richt de baby zijn waarneming en
aandacht op die gebeurtenis, in plaats van zich te verstoppen. De baby draait zijn hoofd in de
richting van het geluid.
o De onderzoeksregel: als de baby iets ziet of voelt, gaat hij het onderzoeken(exploreren) met
zijn ogen of handen.
o De regel van het scannen: als een baby een voorwerp volgt en dat voorwerp verandert, dan
gaat hij met zijn ogen zoeken waar het voorwerp is gebleven of waar het opnieuw zal
verschijnen. Vooral na de vierde maand past de baby deze regel actief toe.