1.1
Kenmerken maatschappelijk vraagstuk
1. Grote groepen in de samenleving ondervinden de gevolgen ervan
2. Tegengestelde belangen spelen mee
3. Gemeenschappelijke oplossingen spelen mee
Belang- voordeel voor jezelf bijv. nieuwe telefoon
Waarden- niet vast te houden. Iets dat levenslang voor een hele groep belangrijk is. Bijv.
milieu, stemrechten, gelijkheid.
Mp- maatschappelijk probleem
Een natuurverschijnsel is nooit een maatschappelijk probleem
Dynamiek van de samenleving- het constant veranderen van normen, waarden en
belangen. Afhankelijk van de PTP
PTP:
Plaats-Tijd-Persoon
Een MP is altijd PTP
Waarden- principes die mensen belangrijk vinden in hun leven en willen nastreven bijv.
gelijkheid
Normen- hoe je je op grond van een bepaalde waarde behoort de gedragen. Bijv. bij
gelijkheid is de norm dat je iedereen op dezelfde manier behandeld.
Compromis- een overeenkomst waarbij alle partijen iets toevoegen
Macroniveau- grootschalig niveau
Microniveau- individueel niveau
Dilemma- een lastige keuze uit twee of meer alternatieven die allemaal duidelijke nadelen
hebben
1.3
Macht- het vermogen om het gedrag van anderen dwingend te beïnvloeden
Gezag- macht dat geaccepteerd wordt
Formele macht- in regels en wetten vastgelegd bijv. de macht van docenten op school
Informele macht- niet in regels en wetten vastgelegd bijv. binnen een vriendengroep
Machtsbronnen- bronnen waarmee invloed kan worden uitgeoefend bijv. geld, functie,
kennis, aantal en geweld
Sociale ongelijkheid- een ongelijke verdeling van maatschappelijke kansen, inkomen en
politieke macht
Maatschappelijke kansen- sommige mensen hebben een kleinere kans op een baan bijv.
mensen met een beperking of laagopgeleide ouders
Financiële middelen- het ene werk wordt beter betaald dan andere
Politieke macht- wie lid is van een politieke partij of politici persoonlijk kent, kan meer
invloed uitoefenen dan anderen.
, Sociale cohesie- de mate waarin mensen door onderlinge bindingen het gevoel hebben bij
elkaar te horen (verbondenheid).
2 – kennis van zaken
Betrouwbaarheid:
- Wie is de zender?
- Met welk doel is het bericht verzonden?
- Is de informatie actueel?
- Welke bronnen worden er in dit bericht gebruikt?
- Hoor en wederhoor- wordt de situatie van verschillende kanten bekeken?
- Komt de informatie overeen met andere bronnen?
Referentiekader- alles wat je bezit aan kennis, ervaringen, normen, waarden en gewoonten
Selectieve perceptie- nieuwe informatie bewust of onbewust aan je referentiekader
aanpassen
Selectieve waarneming- je kiest zelf wat je wilt zien of horen
Selectieve waarneming ---- referentiekader ---- selectieve perceptie
Vrijheid van nieuwsgaring- journalisten moeten toegang krijgen tot relevante documenten
en deze zonder bemoeienis kunnen publiceren
2.3- beïnvloeding door de media
Drie theorieën over macht van de media:
1. Cultivatietheorie
- De media heeft de rol van de kerk en onderwijs ingenomen
- Het verspreiden van waarden, kennis en ervaringen worden verspreid door media in
plaats van de school en kerk
2. De agendasettingtheorie
- De media heeft geen invloed op wat mensen denken, maar waarover ze denken
3. Framingtheorie
- De media presenteren een onderwerp vanuit een bepaalde invalshoek waardoor de
manier waarop mensen ergens over denken wordt beïnvloed.
- Mediaframe- iets van een bepaalde hoek bekijken verandert iemand zijn mening.
Welke kant van een verhaal wordt benadruk?
Mediawijs- een zorgvuldige zender of een kritische ontvanger van informatie
Hoofdstuk 2- Rechtsstaat
2.1- idee en oorsprong van de rechtsstaat
Hobbes, Locke en Rousseau:
- 3 filosofen
- Vrijheid en gelijkheid moeten uitgangspunten zijn van ons leven
Sociaal contract met overheid:
1. Niet stelen
2. Gelijkheid
3. Vrijheid