Samenvatting Met Nieuwe Ogen + oefenvragen
Hoofdstuk 1, 3, 4 en 9
Hoofdstuk 1. Diversiteitsbenaderingen en superdiversiteit
1.2
Om goed in te kunnen spelen op de diversiteit in het sociale domein, moet je je als
professional verdiepen in de wijze waarop diversiteitsfactoren mensen beïnvloeden. Je kijkt
daarbij onder andere naar hun identiteit, imago, overtuigingen en waarnemingen, actief
burgerschap, beleving, sociale context enzovoorts.
Onze waarnemingen vinden plaats vanuit ons eigen referentiekader, dat we ontlenen aan
onze sociale context.
Ons referentiekader bestaat uit:
- Waarin we leven/geleefd hebben
- Groepen en netwerken waartoe we behoren
- Welke achtergrond we persoonlijk hebben
Bij een referentiekader gaat het ook om de gemeenschappelijke ervaringen van meerdere
mensen in ongeveer dezelfde sociale situatie. Dit vormt de sociale bril/culturele lens
waardoor mensen dwingen op dezelfde wijze te zien en te interpreteren.
Een referentiekader is niet onveranderlijk of stabiel. Door verschillende ervaringen in je
leven kan je referentiekader veranderen.
The carpentered world hypothesis: Deze hypothese houdt in dat mensen die zijn
grootgebracht in een wereld die door carpenters (timmerlieden) is gemaakt, wonen in
rechthoekige straten en rechthoekige huizen met rechthoekig meubilair.
1.3
Als sociaal werker heb je altijd te maken met de invloed van je eigen belevingswereld als
onderdeel van je gehele veld. Je geeft zelf mee vorm aan de situatie en je wordt tegelijk door
het geheel beïnvloed.
De context waarbinnen je in een sociaal-werk-situatie ondersteuning geeft heeft steeds
invloed op de manier waarop je werkt. Deze context bestaat uit: de leefwereld van de cliënt,
betrokken organisaties en de maatschappelijke context van het werkveld.
Belangrijkste voorwaarde is het aan kunnen gaan van een verbindende dialoog met
aandacht voor interne diversiteit van de cliënt, de interne diversiteit van jezelf én de
complexe sociale context waarin de relatie zich afspeelt. Dialogisch werken is in elke
werksituatie nodig om te komen tot meervoudig kijken naar ieder individu, iedere groep én
iedere context.
,1.4
Zowel op (inter)nationaal als lokaal niveau hebben overheden en maatschappelijke
instituties in de loop der jaren diverse beleidsinstrumenten ontwikkeld ten behoeve van
maatschappelijk kwetsbare groepen, zoals migranten en vluchtelingen, ouderen en mensen
met een beperking. Om in de dagelijkse praktijk verschillende benaderingen te kunnen
herkennen en zo nodig bij te stellen, volgt hierna een overzicht van 5 verschillende visies op
diversiteit en daaraan verbonden benaderingen:
1. Deficitbenadering: inhalen van achterstanden
In de dificitbenadering hebben alle burgers het recht om naar vermogen te delen in onze
maatschappelijke verworvenheden zoals: welvaart, cultuur, tolerantie en
ontwikkelingsmogelijkheden. Verschillende groepen mensen (ouderen, vluchtelingen,
laagopgeleiden) verkeren in een achterstandsituatie vergeleken met de dominante groep.
Krachtig: rechtvaardige verdeling, ontwikkeling is mogelijk.
Kritiek: het woord achterstand werkt stigmatiserend, benadeelden moeten zich aanpassen.
2. Differentiebenadering: overbruggen van culturele verschillen
In deze visie zijn alle culturen gelijkwaardig. Er wordt niet uitgegaan van een tekort aan
vaardigheden, maar aan de waarde van culturele verschillen.
Krachtig: respect voor elkaar, vertrouwen door culturele context
Kritiek: cultuurrelativisme: het ontbreken aan kritisch inzicht (of politieke eerlijkheid)
3. Discriminatiebenadering: tegengaan van uitsluiting en paternalisme
Centraal staat de discriminatie, uitsluiting en marginalisatie door dominante groepen die de
eigen privileges veilig willen stellen, alsook het racisme van de groepen. Toegang tot een
gelijkwaardige participatie wordt geblokkeerd.
Krachtig: denken in termen van rechtvaardigheid en gelijkheid, ook duidelijkheid in grenzen.
Kritiek: eenzijdigheid vertrekpunt discriminatie, zwart-wit denken
4. Doelgroepbenadering: drie-in-een gecombineerd
Combinatie van de drie voorgaande benaderingen. Is gericht op de vooraf gestelde
doelgroepen.
Kritiek: uitsluiting van mensen die dezelfde behoeften hebben
5. Diversiteitsbenadering: verschillen en overeenkomsten tussen mensen onderkennen
Deze benadering overstijgt het denken in groepen die tegenover elkaar staan. Diversiteit
heeft als vertrekpunt: de verscheidenheid in de brede betekenis van het woord, oftewel al
datgene waarin mensen van elkaar verschillen.
Een manier om de risico’s van de voorgaande benaderingen tegen te gaan is
diversiteitsbenadering.
1.5
Cultuursensitief werken: bewustzijn van je eigen culturele bagage en innerlijke diversiteit,
weten dat de eigen vooronderstellingen, waarden en normen niet voor iedereen gelden en
in je professioneel handelen aansluiten bij en afstemmen op de leefwereld van ‘de vreemde
ander’.
, Volgens het kruispuntdenken zijn individuen te beschouwen als kruispunten van verschil. Dit
betekent dat allerlei verschilfactoren in het leven van mensen steeds gelijktijdig en in
wisselwerking werkzaam zijn. Het kruispunt kan veranderen gedurende de levensloop. Het
zorgt ervoor dat je mensen bekijkt in hun veelheid aan dimensies en niet vanuit één
perspectief.
Platte diversiteit Intersectionele diversiteit
Verschilcategorieën zijn dichotoom (man- Verschillen zijn continu: bepaalde mate van
vrouw) man-vrouw zijn
Verschilcategorieën zijn machtsneutraal: Verschillen zijn machtsgeladen:
het maakt niet uit bij welke groep je hoort machtsdynamiek en sociale ongelijkheid
Verschilcategorieën zijn eendimensionaal Meerdere lagen of dimensies
Verschillen zijn statisch Verschillen zijn dynamisch
Verschilcategorieën zijn niet van elkaar Verschillen werken intersectioneel op
afhankelijk en hiërarchisch te ordenen elkaar in doordat ze elkaar betekenis
verlenen en beïnvloeden
De essentie van kruispuntdenken is samen te vatten met de volgende 2 stellingen:
1. Ieder individu heeft een meervoudige sociale identiteit
2. Ieder individu/groep/samenleving is multicultureel
In de intersectionaliteitstheorie worden acht sociale identiteitsaspecten onderscheiden:
etniciteit, klasse, levensfase/generatie, talent/handicap, religie/levensbeschouwing,
sekse/gender, seksuele oriëntatie en professionele socialisatie.
Als je met de bovenstaande ‘intersectionele ogen’ kijkt zul je mensen niet snel opsluiten.
1.6
Superdiversiteit is een begrip dat gebruikt wordt om de demografische transitie te
omschrijven die de samenleving in de 20e eeuw doormaakt.
Kenmerk superdiversiteit: het is niet langer eenduidig te omschrijven tot welke cultuur je
behoort en waar je vandaan komt.
Geldof onderscheidt een kwantitatieve en een kwalitatieve dimensie:
Kwantitatieve dimensie van superdiversiteit: staat voor de beschrijving en de analyse van
de migratiecijfers en de veranderende bevolkingssamenstelling.
Kwalitatieve dimensie van superdiversiteit: toenemende verschillen binnen de diversiteit
In zijn artikel ‘Sociaal werk in een superdiverse samenleving’ onderscheidt Geldof acht
domeinen waarop de diversiteit in de diversiteit doorwerkt:
1. Het aantal nationaliteiten neemt in grote steden steeds meer toe
2. Superdiverse steden zijn meertalige steden, waardoor ook cliënten steeds
meertaliger worden
3. Door de toenemende religieuze diversiteit ontstaan er nieuwe religieuze
gemeenschappen die voor de betreffende geloofsgenoten zowel een nieuwe plek
voor onderlinge solidariteit vormen als een plek voor informele hulpverlening