Leerdoel: Wat zijn emoties?
James Kalat. Biological Psychology (H12).
Emotie heeft 3 componenten:
- Cognities.
- Gevoelens.
- Acties.
gevoelens staan van deze componenten het centraal bij ons concept van emotie.
Relatie tussen emotie en het autonome zenuwstelsel
common sense: je voelt eerst een emotie en dat zorgt voor een lichamelijke reactie, zoals
een hoge hartslag (BV je rent weg omdat je bang bent).
James-Lange theory: de arousal van het autonome zenuwstelsel en de lichamlelijke
reacties doen zich eerst voor en wat je als emoties ervaarty is het label dat je blijkt op die
reacties (BV je voelt je bang omdat je wegrent).
- Emotie kent 3 componenten. Hiervan is cognitie de eerste (je beoordeelt iets als
goed, slecht, bedreigend etc.). Deze inschatting van de situatie leidt tot een actie,
zoals wegrennen of blijven zitten. Vervolgens wordt hier pas een gevoel aan
verbonden.
als dit waar zou zijn:
Dan zouden mensen met een zwak autonoom zenuwstelsel of lichamelijke reacties
minder emotie moeten voelen.
Dan zou het veroorzaken of vergroten van iemands responsen emotie moeten
versterken.
Bewijs voor de James-Lange theory:
Uit onderzoek met mensen bij wie het autonome zenwustelsel de lichaamsfuncties niet
meer kan reguleren (pure autonomic failure) hun emoties minder sterk ervaren dan voordat
ze die aandoening kregen. Waarschijnlijk berust hun rapaortage van emoties vooral op het
cognitieve aspect.
Mensen met botox hebben meer moeite om te fronzen, dit zorgt ervoor dat onprettige
informatie minder goed verwerkt kan worden. Dit impliceert dat het voelen van een
lichaamsverandering belangrijk is voor emotie.
, Bewijs tegen de James-Lange theory:
Mensen met schade aan de rechter somatosensorische cortex hadden normale responses
van het autonome zenuwstelsel bij emotionele muziek, maar rapporteerde maar weinig
subjectieve ervaring van die emotie.
Mensen met schade aan een deel van de PFC hadden zwakke responses van het autonome
zenuwstelsel, maar juist rapporteerde juist wel normale subjectieve ervaring van emoties.
het is echter niet duidelijk in hoeverre de rapportage van de subjectieve beving van
mensen accuraat was.
Volgens de James-Lange theory komen emotionele gevoelens voort uit lichamelijke acties.
Echter hoeft het ervaren van BV een versnelde ademhaling en een verhoogde hartslag niet
altijd te leiden tot ervaring van een emotie (als je BV weet dat je net gerend hebt dan
relateer je die lichamelijke reactie daaraan), maar als het spontaan ontstaat dan kan dit
wellicht wel geïnterpreteerd worden als angst.
Sommige mensen die snel gaan ademen zijn BV bang om te stikken en krijgen dan een
paniekaanval.
mensen laten lachen (door een pen tussen de tanden te laten houden) zorgt ervoor dat
mensen stripjes als leuker beoordelen dan als ze niet lachen (dit effect is echter wel klein
het zou niet helpen bij BV een depressie).
mensen die fronzen beoordelen foto’s ook sneller als onprettig dan als ze niet fronzen.
- Ondanks dat lachen en fronzen een kleine invloed kan hebben op de mate van
blijdschap, is lachen niet noodzakelijk om blijdschap te kunnen ervaren. Mensen met
een zeldzame aandoening (Möbus syndroom) kunnen hun gezichtspieren namelijk
niet bewegen, maar kunnen wel blijdschap ervaren.
Pinel. Biopsychology (H17).
Een alternatief voor de James-Lange theory is de Canon-Bard theory die stelt dat emotionele
ervaring en emotionele expressie tegelijkertijd plaatsvinden zonder dat er een directe
causale relatie tussen bestaat (je emotionele beleving staat dus los van de feedback die je
rkijgt vanuit je somatische en autonome zenuwstelsel).
zowel de James-Lange theory (klopt gedeeltelijk want je lichamelijke reactie beïnvloedt je
emotie wel, maar het is niet noodzakelijk AZS is hierbij wel belangrijker dan
spierbewegingen hierbij, daarom kan het meisje wat niet kan lachen wel emoties ervaren)
als de Canon-Bard theory (klopt niet want er is wel een verband, BV een paniekaanval)
bleken niet te kloppen.
Dit leed tot de modern biopsychological view: hierin wordt gesteld dat elke van de 3
factoren (de perceptie van de stimulus, de reacties van het autonomische en somatische
zenuwtselsel op de stimulus en de beleving van de emotie) invloed kan hebben op de andere
2.
deze klopt.