Voorbeelden:
2+7=9
2 – 7 = -5
2 + (-7) = -5
2 - (-7) = + 9
Voorbeeld 1 en 4 kennen dezelfde uitkomst, namelijk 9. Ergens 7 bij optellen is gelijk aan
ergens -7 van aftrekken.
Vermenigvuldigen
In sommen met een vermenigvuldiging worden verschillende operatoren gebruikt. Naast het
‘keer-teken’ (x) wordt ook de punt (·) gebruikt. In deze module gebruiken we het ‘x’- teken.
Bij vermenigvuldigen gelden de volgende tekenregels:
plus x plus = plus
plus x min = min
min x plus = min
min x min = plus
Voorbeelden vermenigvuldigen:
2 x 7 = 14
2 x (-7) = -14
-2 x 7 = -14
-2 x (-7) = 14
Delen
In sommen met een deling ook verschillende operatoren gebruikt. De operatoren : en / en
/ zijn synoniemen en beteken allemaal ‘delen door’.
Bij delen gelden dezelfde regels als bij vermenigvuldigen:
plus : plus = plus
plus : min = min
min : plus = min
min : min =plus
Voorbeelden delen:
14 : 2 = 7
14 : (-2) = -7
-14 : 2 = -7
-14 : (-2) = 7
Machtsverheffen en worteltrekken
Machtsverheffen is herhaald vermenigvuldigen. Een bekend voorbeeld van machtsverheffen
is kwadrateren.
Voorbeelden machtsverheffen:
42 (spreek uit: 4 kwadraat)= 4 x 4 = 16
43 = 4 x 4 x 4 = 64
40= 1
4-1 = 1 : 4 = 1/4
Worteltrekken (of ‘vierkantswortel’) is het tegenovergestelde van kwadrateren.
Voorbeelden worteltrekken:
√4 = 2 (want 2 x 2 = 4)
, √81 = 9 (want 9 x 9 = 81)
Volgorde van bewerkingen
Je kent de volgende ezelsbrug misschien (nog) wel: Meneer Van Dale Wacht Op Antwoord.
Dit geeft aan wat de volgorde is waarin je de rekenregels
toepast: Machtsverheffen, Vermenigvuldigen / Delen, Worteltrekken, Optellen / Aftrekken.
De bewerkingen optellen en aftrekken doe je in de volgorde waarin ze in de opgave staan.
Dat geldt ook voor vermenigvuldigen en delen. Als optellen/aftrekken en vermenigvuldigen/
delen door elkaar in de opgave gebruikt zijn, dan gaat vermenigvuldigen/delen altijd voor
optellen/aftrekken.
Voorbeelden:
14 – 7 + 3 = 7 + 3 = 10
14 : 7 x 4 = 2 x 4 = 8
8 + 7 x 3 = 8 + 21 = 29
56 + 49 : 7 x 2 = 56 + 7 x 2 = 56 + 14 = 70
62 – 4 x 6 – 9 = 36 – 24 – 9 = 3
Als je een andere volgorde wilt gebruiken dan de hierboven beschreven regels, gebruik je
haakjes. Wat tussen haakjes staat, reken je het eerste uit.
Voorbeelden:
56 : 7 x 2 = 8 x 2 = 16
56 : (7 x 2) = 56 : 14 = 4
125 : (52 + 100) = 125 : 125 = 1
In nieuwsberichten kom je vaak afrondingen tegen. Bijvoorbeeld: ”De opening van de
nieuwe concept store trok circa 150 bezoekers”.
Kommagetallen worden ook vaak afgerond. Denk aan prijzen in de supermarkt. Een getal
met veel cijfers achter de komma is immers moeilijk leesbaar. Bij afronden geef je vaak aan
op welk decimaal je afrondt (honderdtallen, tientallen, helen, tienden, hondersten, etc.).
Regels bij afronden:
Je kiest het getal dat het dichtst ligt bij het af te ronden getal
Als het getal precies in het midden ligt, rond je af naar boven
Je kijkt één decimaal verder dan het aantal decimalen waarop je wilt afronden
Voorbeelden:
352 afronden op honderdtallen wordt 400
124 afronden op tientallen wordt 120
5,5 afronden op een heel getal wordt 6
5,49 afronden op een heel getal wordt 5
33,3476 afronden op één decimaal wordt 33,3
33,3476 afronden op twee decimalen wordt 33,35
Een breuk bestaat uit een teller en noemer. In de breuk 4/8 is 4 de teller en 8 de noemer.
Het getal dat boven de breukstreep staat is dus de teller en het getal onder de breukstreep
heet de noemer.
Breuken vereenvoudigen
Breuken kun je vereenvoudigen (kleiner maken) door de teller en de noemer door dezelfde