Hoofdstuk 2: Denken over de stad
2.1 Inleiding
De wereld is in de greep van de urbanisatie
- in de belangrijkste metropolen vinden we rijkdom, terwijl andere steden een
marginaal bestaan leiden
- in 1989 voorzag Henri Lefebvre dat al toen hij ‘planetair urbanisme’ als een van de
grootste bedreigingen van de mensheid bestempelde
- hij verwacht dat de wereld zal verstedelijken, waardoor mensen alleen nog in
megasteden wonen en niet op het platteland
- hierdoor wordt de ruimte gehomogeniseerd en diversiteit uitgeroeid
- onze aarde zou overgaan van steden en het platteland naar eilanden
van landbouwproductie en betonnen woestijnen
2.2 Industriële visies: de schok van het nieuwe
Steden zijn al duizenden jaren oude, maar pas in de negentiende eeuw name de
academische studie van steden een grote vlucht
- dit kwam omdat tot die tijd het deel van de wereldbevolking dat in steden woonde
relatief klein was
- als gevolg van de snelle urbanisatie veranderde dit, eerst in het industriële
hart van Europa, en daarna in de ‘Nieuwe Wereld’, met name de Verenigde
Staten
- vanwege hun grootte, morfologie en complexiteit beschouwden de wetenschappers
industriesteden als een nieuwe ‘soort’ die geclassificeerd, gecatalogiseerd en
gediagnosticeerd moest worden
- bijvoorbeeld: Manchester, een handelsstad die binnen elke jaren uitgroeide
tot een wereldvermaard centrum van de katoenindustrie, waarbij het
inwonertal groeide van 15.000 in 1750 tot meer dan twee miljoen in 1900 of
Chicago die werd gesticht in 1830 en zestig jaar later bedroeg haar
inwonertal meer dan een miljoen
, De historicus Asa Briggs noemde de steden Manchester en Chicago shock cities, hiermee
worden plaatsen bedoeld waar de gevolgen van de snelle stedelijke groei voor de omgeving
en maatschappij zowel ontzag als verwondering opriepen
- het waren steden in transformatie, waar nieuwe ideeën, technologieën en praktijken
die er voortdurend ontstonden belangrijke gevolgen hadden voor de relaties tussen
mensen
- de steden werden gezien als een antithese van traditioneel landelijkheid
- in dat kader maakte Ferdinand Tonniës (1887) een onderscheid tussen
Gemeinschaft (een gemeenschap van mensen die zich samen inspannen
voor het algemene nut, verbonden door familiebanden, taal en folklore) en
Gesellschaft (een samenleving gekenmerkt door een algemeen heersend
individualisme en een daarmee gepaard gaand gebrek aan maatschappelijke
samenhang)
- hoewel Tonniës het onderscheid tussen Gemeinschaft en Gesellschaft
formuleerde als een onderscheid tussen de pre-industriële en de industriële
samenleving en niet zozeer als een stedelijk-landelijk onderscheid, vondt men
zijn beschrijving van Gesellschaft goed passen bij het karakter van de
industriestad
Het idee dat sociale cohesie en gemeenschapszin minder evident is in een stad dan op het
platteland zou de leidraad vormen voor veel onderzoek naar het moderne stadsleven
- Emile Durkheim, een van de grondleggers van de sociologie, was daar niet mee
eens
- hij was van mening dat het traditionele, landelijke leven werd gekenmerkt
door ‘mechanische solidariteit’ waarbij sociale banden gebaseerd zijn op
gemeenschappelijke geloofsovertuigingen, gewoonten, rituelen en symbolen
- volgens Durkheim zorgde de opkomst van de stad voor een verschuiving van
mechanische naar ‘organische solidariteit’ waarbij sociale banden gebaseerd
zijn op specialisatie en onderlinge afhankelijkheid
- hoewel personen verschillende taken kunnen uitvoeren en
verschillende belangen hebben, hing het stedelijke vermogen af van
mensen die afhankelijk waren van elkaars vermogen om specifieke
taken uit te voeren
- anders dan het platteland, moedigd de stad co-existentie van sociale
verschillen aan
- deze diversiteit leidt tot grotere vrijheid en keuzemogelijkheden