De student kent de termen corneavorm, astigmatisme, centrale/perifere corneavorm, afwijkende
corneavorm, absoluut, relatief, sagittaal, tangentiaal en kan deze kennis toepassen bij het maken en
beoordelen van een topografie
Corneavorm: de vorm van de cornea (gemiddelde kromming: 7.60/gemiddelde excentriciteit: 0.45)
Astigmatisme: cilinderafwijking
Centrale-/perifere corneavorm: de vorm van de cornea centraal en in de periferie
Afwijkende corneavorm: een corneavorm die niet aan de normaal voldoet
Absoluut: kromming vergelijken met de normaal (cilinder/verschillen ODS/IS/SAI/SRI/extreem vlak of
diep)
Relatief: topobeeld specifiek voor deze persoon
Sagittaal: algemene vorm oog (de gemiddelden; kleine detaild niet zichtbaar)
Tangentiaal: details vorm oog (kleine details zichtbaar)
De student kan de betrouwbaarheid van een topografie beoordelen
Niet betrouwbaar indien:
Klein meetgebied
Onderbroken ringen centraal
Nasaal te veel afwijkingen door neus
Wimperreflecties waardoor ringen onderbroken worden
Dikke traanmeniscus inferior
De student kan gemeten indici, zoals SI, SAI en SRI beoordelen
IS-index max 1,0 dpt afwijken (inferior met superior vergelijken)
- Afwijkend bij slechte traanfilm
SAI-index (surface assymetry index): vergelijkt punten in alle 4 de kwadranten
- Afwijkend bij slechte traanfilm
SRI (surface regularity index; oppervlakte binnen de pupil): max. 0,8 dpt afwijkend
- Afwijkend bij slechte traanfilm
De student kan de gebieden opnoemen die onderzocht kunnen worden met een OCT tijdens een
contactlensonderzoek
Tangentiale waarden
Meten vanuit de periferie