Hoofdstuk 1 – Celbiologie
Cellen
De functionele eenheid van ieder organisme
Geven structuur en functie aan het lichaam
Apoptose: geprogrammeerde celdood
Genenpaspoort: alle erfelijke codes in het DNA
Celmembraan
Zorgt ervoor dat de cel zijn eigen processen kan regelen en uitvoeren.
Hierdoor kan de cel zich onderscheiden van zijn omgeving.
Homeostase: De eigenschap van het lichaam om het interne milieu (weefselvocht) relatief constant
te houden.
Temperatuur
Watergehalte
Zuurstofgehalte
Zuurgraad
Epitheelcellen: Bedekkende cellen die in contact staan met de buitenwereld. Langs de oppervlakte
van epitheelcellen vindt uitwisseling van stoffen plaats.
Huid
Luchtwegen
Urinewegen
Darmkanaal
Een organisme houdt zichzelf instand door middel van stofwisseling.
Organische stoffen: Stoffen die een organisme zelf kan maken.
Koolhydraten (waaronder suikers)
Vetten (lipiden)
Eiwitten (proteïnen)
Nucleïnezuren (In DNA en RNA)
- Deze stoffen gebruikt de cel voor zijn bouw en functie.
Verbranding: Vetten en suikers afbreken en omzetten naar energie.
Celorganellen
Mitochondriën (leveren energie)
- Suiker en vet worden verbrand om ATP te vormen
- ATP geeft zijn energie af bij die cel processen door een fosfaatmolecuul af te splitsen.
- De afgesplitste stoffen zijn ADP en P. Het mitochondriën smeedt ADP en P weer aaneen
met de energie die afkomstig is van de suiker en vetverbranding.
- Suiker + vet = ATP (+ H2O en CO2)
Ribosomen (produceren eiwitten)
- Kleine korreltjes in het cytoplasma en voor een deel aan het endoplasmatisch reticulum.
- Bouwstenen van ribosomen zijn RNA en eiwitten
Golgicomplex (assembleert eiwitten)
1
, - Door ribosomen worden de aminozuren in de voorgeschreven volgorde achter elkaar
geplakt.
- Wanneer de eiwitproducten klaar zijn, worden ze stapel gewijs in een membraan verpakt
en verstuurd.
Lysosomen (breken eiwitten af)
- Zorgen voor een snelle afbraak en dus verwijdering van cel resten.
Endoplasmatisch reticulum (snelweg)
- Uitgebreid netwerk van membranen
Nucleus (celkern)
Nucleolus
Microtubles (versteviging)
Celmembraan
Microsomen
Breken beschadigde of verkeerd gevouwen eiwitten af.
Levercellen bevatten veel microsomen omdat die veel vreemde stoffen moeten omzetten.
Celmembraan
Opgebouwd uit een dubbele laag fosfolipiden
Eiwitpoorten die allemaal een verschillende stof doorlaten.
Transport vindt plaats van binnen naar buiten of van buiten naar binnen.
Sommige kleine stoffen kunnen passief door het membraam heen door verschil in
concentratie.
Te grote stoffen kunnen niet door de poorten. Het celmembraan kan deze stoffen omhullen
door zich te plooien. Vervolgens wordt de stof afgeleverd aan het cytoplasma.
- Bij transport naar binnen heet dit endocytose.
- Bij transport naar buiten heet dit exocytose.
De buitenkant van het celmembraan is bedekt met een dus eiwitvliesje met daarop
receptoren (rendier gewei)
- Vangen signalen op uit de omgeving.
- Hechten zich vast aan bindweefsel of uitsteeksels van andere cellen.
- Zijn een kenmerk van eigen weefsel (hierdoor kunnen bacteriën en virussen herkend
worden
Celkern (nucleus)
Alle organismen hebben een celkern behalve prokaryoten.
2