Project 4
Vignet 1: Wat zijn cognitieve ontwikkelingen van
adolescenten?
Vignet 2: Wat houden stemmingsstoornissen in?
Vignet 3: Depressie bij adolescenten
Vignet 4: Behandeling van depressie
DeHart. (2004). Physical and cognitive development in
adolescence.
Changes in thinking during adolescence
De adolescentie is een periode waarin jongeren
belangrijke nieuwe cognitieve vaardigheden
verkrijgen. Sommige ontwikkelingspsychologen,
waaronder Piaget, zien deze vaardigheden als het
markeerpunt van de transitie naar een kwalitatief
andere periode van ontwikkeling.
Een belangrijke verandering is dat adolescenten
logisch denken kunnen toepassen naar wat mogelijk
is (wat mogelijk bestaat) en niet alleen bij wat echt is
(wat bestaat). Ze lijken contingent truth te begrijpen.
Adolescenten kunnen verder kijken dan wat alleen door hun zintuigen duidelijk wordt en op basis hiervan
logische implicaties opstellen.
Een tweede ontwikkeling is dat adolescenten het vermogen hebben om na te denken over relaties over
mentaal gevormde concepten, bijvoorbeeld getallen. Een ander voorbeeld is dat een schoolgaand kind
(basisschool)) een abstract concept zoals moraliteit mogelijk definieert op basis van specifieke gedragingen
(bijv. niet stelen en de waarheid vertellen). Een adolescent begrijpt dat moraliteit interrelaties onder
verschillende concepten omvat, zoals eerlijkheid en vriendelijkheid. Het vermogen om te denken over relaties
van abstracte concepten geeft adolescenten meer capaciteit voor metacognition: denken over denken.
Daarnaast wordt het denken van adolescenten meer lo
gisch en systematisch dan dat in de kindertijd. Bij het gebruiken van hun nieuwe vaardigheden om na te
denken over abstracte concepten maken adolescenten gebruik van wat Piaget hypothetico-deductive
reasoning (= het vermogen om te denken over hypothetische oplossingen voor en probleem en om een
systematisch plan te formuleren om af te leiden welke oplossing correct is) noemde. Dit is nuttig bij situaties
waarin denken over mogelijke gevolgen van bepaalde handelingen vereisen.
Ontwikkelingspsychologen proberen nog steeds vast te stellen wat onderliggend is aan de cognitieve
veranderingen tijdens de adolescentie. Een verklaring is Piaget’s theory of formal operations
Piaget’s theory of formal operations
Piaget wees de cognitieve verbeteringen van adolescenten toe aan het ontwikkelen van het vermogen om
principes van propositionele logica toe te passen, welke hij formal operations noemde. Propositionele logica
bevat het combineren van verschillende individuele stellingen om logische conclusies te trekken (als A = .. en
B = … dan C = …).
Piaget beargumenteerde dat formal operations ervoor zorgen dat adolescenten meer abstract en
systematisch kunnen denken dan voorheen.
Piaget stelde dat cognitieve structuren en vermogens vernaderen, maar de onderliggende processen van
ontwikkeling niet.
Piaget’s experiments
Piaget bouwde zijn theorie voort op uitgebreid onderzoek. In zijn experimenten werden kinderen en
adolescenten een apparatus gegeven of een set van materialen. De taak was om deze items te manipuleren
zodat vastgesteld kon worden hoe ze werkten. Uit de experimenten bleek dat adolescenten deze taak anders
benaderen en begrepen dan schoolgaande kinderen
The law of floating bodies: het classificeren van objecten t.a.v. of ze zouden zinken of drijven in water.
Basisschoolkinderen snappen de concepten van volume en water, en daarom kunnen ze conservatie
problemen oplossen. Een begrip van dichtheid is gebaseerd op het begrijpen van de verhouding tussen
gewicht en volume en om dit te begrijpen moet nagedacht werden over de relatie tussen concepten.
Adolescenten zijn dus beter in deze taak en kunnen ook hun verklaring goed onderbouwen.
The pendulum study: dit experiment onderzoekt de effecten van een enkele variabele terwijl andere factoren
constant blijven. Men moest raden welke factor bepaalt hoelang het pendelum erover doet om van de ene
naar de andere kant te bewegen. Adolescenten gaan systematisch elke mogelijke factor testen, terwijl ze
overige factoren constant houden, waardoor ze het antwoord logisch kunnen achterhalen.
The all possible combinations study: alle mogelijke combinaties van vijf kleurloze vloeistoffen moesten
gevorm worden om vast te stellen welke combinatie geel zou worden. Adolescenten pasen hierbij een
1
, systematische benadeing toe en proberen alle mogelijke combinaties. Eerst twee soorten bij elkaar, dan drie
soorten en dan vier en dan vijf. Hierdoor probeerden ze mogelijke herhalingen te voorkomen, maar ook geen
combinatie te missen.
Is Piaget’s view correct?
Piaget’s omschrijving van de redeneervermogens van adolescenten zijn vrij accuraat. Andere onderzoekers
hebben soortgelijke veranderingen gevonden met leeftijd. Echter, net zoals bij de (vroege) kindertijd is er
kritiek op zijn uitleg. Onderzoekers hebben geen sterk bewijs gevonden voor zijn idee dat de cognitieve
verbeteringen het gevolg zijn van specifieke principes van formale logica (formal operations). Momenteel is er
geen overeenstemming hoe dev veranderingen verklaard kunnen worden.
How pervasive are formal operations?: een belangrijke vraag over Piaget’s theorie is hoe pervasief formal
operations zijn in het denken van adolescenten. Het lijkt gradueel te ontwikkelen. Sommige onderzoekers
stellen dat er onderscheid gemaakt moet worden tussen early en late adolescence. Early adolescents zouden
gebruik maken van formal reasoning op sommige taken of situaties, maar bij anderen niet (= emergent
formal operations). Middle en late adolescents zouden bewijs laten zien van consistent gebruik van formal
redeneneren bij het oplossen van problemen (= consolidated formal operations). Echter, het gebruikmaken
van formeel redeneren lijkt niet universeel. Daarnaast lijken formal operations meer cultuurgebonden dan
eerdere cognitieve vaardigheden in Piaget’s theorie.
Can formal operations be taught?: inzet om formal operations aan te leren hebben wat succes behaald,
afhankelijk van de leeftijd waarop het wordt ingezet (wel bij adolescenten, niet bij jongere kinderen). Hoge
intelligentie is mogelijk geassocieerd met vroege aanvang van formal operational skills. Mogelijk is de training
effectief omdat bestaande competenties worden vertoont, in plaats van nieuwe vaardigheden.
Are formal operations related to academic performance?: prestatie op formal operation taken is
gerelateerd aan metingen van intelligentie en metingen van intelligentie voorspellen prestaties op school.
Echter, metingen van formal operations bieden andere inzichten in cognitieve vaardigheden dan IQ-testen.
Formal operations voorspellen meer de prestatie op wetenschap en wiskunde in plaats van algemene
academische prestatie.
Other approaches to adolescent cognition
Information-processing explanations:
o Onderzoek naar de informatieverwerkingscapaciteiten van adolescenten indiceert consistent dat er
continue verbeternig is op aandachts- en geheugenvaardigheden. Grote verbeteringen worden
typisch gezien tussen de midden kindertijd en vroege adolescentie (8-12 jaar).
o In vergelijking met jongere kinderen zijn adolescenten beter in selective attention (= het focussen
van de aandacht op relevante stimuli ondanks afleidingen) en divided attention (= aandacht
besteden aan twee of meer taken tegelijkertijd). Sommige onderzoeken suggereren dat aandacht
vaardigheden zich ook in de late adolescentie verder ontwikkelen.
o Zowel het korte als het lange termijngeheugen verbeteren zich tussen de midden kindertijd en de
adolescentie. Een belangrijke vraag hierbij is in hoeverre de verbeteringen het gevolg zijn van
toenames in geheugencapaciteit en in hoeverre het te wijden is aan verbeteringen van
geheugenprocessen. De meeste onderzoekers zijn het erover eens dat verbeterde
geheugenprocessen een grotere rol spelen bij de geheugenverbeteringen dan een vergrote
capaciteit.
o Een andere factor in de verbeteringen van adolescenten op zowel geheugen- als
aandachtsprocessen is een toename in beschikbare cognitieve verwerkingscapaciteit. Deze toename
wordt vooral toegeschreven aan een toename van automatization van basis cognities, zodat ze met
minder effort en meer automatisch kunnen plaatsvinden.
o Daarnaast wordt een grotere kennisbasis genoemd als factor bij de verfijning van cognities bij
adolescenten. Echter, de kennisbasis heeft niet altijd een positieve impact op het cognitief
functioneren. Met name in technische en wetenschappelijke gebieden hebben adolescenten vaak
sterke misconcepties die erg star kunnen zijn.
Cognitive socialization:
o Cognitive socialization refereert naar de invloed van de sociale omgeving op het ontwikkelen van
cognitieve vaardigheden. Niet alleen familie en vrienden hebben sociale invloed, maar ook grotere
sociale, economische en culturele contexten. Hier is relatief gezien weinig onderzoek naar gedaan,
maar er is bewijs dat sociale factoren een belangrijke rol spelen en dat de praktische implicaties van
cognitive socialization aanzienlijk zijn.
o Individuele sociale interacties lijken een belangrijke rol te spelen bij de cognitieve vooruitgang van
adolescenten. Discussie met anderen lijkt higher-order denkvaardigheden te vergroten.
o Op het bredere sociale niveau heeft school duidelijk de meeste invloed. Andere culturele invloeden
zijn bijvoorbeeld televisie.
Social cognitive changes of adolescence
De nieuwe cognitieve vaardigheden van adolescenten hebben ook impact op het sociale domein.
2
, Adolescent egocentrism
Egocentrisme heeft betrekking op het falen in het maken van onderscheid tussen je eigen standpunt en een
meer objectieve conceptie van realiteit. Adolescent egocentrism heeft betrekking op de aanname van
jongeren dat ze de focus zijn van iedereens aandacht en dat hun ervaringen, gedachten en gevoelens uniek
zijn.
Het concept imaginary audience (= de ongegronde zorg van jongeren dat ze de focus van iedereens
aandacht zijn) lijkt van toepassing. Een ander omschreven aspect van adolescent egocentrisme is personal
fable (= het overdreven geloof van tieners dat ze uniek zijn).
Een reden waarom adolescenten dit egocentristische beeld ontwikkelen is dat hun nieuwe cognitieve
vaardigheden ervoor zorgen dat ze kunnen nadenken over concepten waarmee ze weinig daadwerkelijke
ervaring hebben, zoals romantische relaties. Een andere factor is mogelijk een toenemend begrip van
interpersoolijkheid of het vormen van een persoonlijke identiteit.
Moral reasoning
Een ander gebied van het sociale domein welke beïnvloed wordt door de cognitieve verbetering van
adolescenten is moreel redeneren; het proces van denken en het vellen van oordelen over het moreel juiste in
een bepaalde situatie. Piaget betrok de morele ontwikkeling in zijn brede theroei van cognitieve ontwikkeling
en Kohlberg ontwikkelde een six-stage model.
Piaget’s model: het model begint met een amoral stage, wat karakteristiek is voor kinderen van ongeveer 7
jaar. Tijdens de concrete operations period ontstaat de fase van moral realism (= de fase waarin kinderen
moraliteit als absoluut ervaren en morele grenzen onveranderlijk zijn. Gedrag is goed of fout en ze geloven in
iimmanent justice (= als ze een regel breken gebeuren er slechte dingen). De volgende fase van Piaget,
autonomous morality treedt op in de late kindertijd of vroege adolescentie. Moraliteit wordt gezien als relatief
naar de situatie. Bij het beoordelen van een bepaalde handeling als goed of fout wordt rekening gehouden
met de intenties en consequenties. Piaget geloofde dat morele ontwikkeling een direct gevolg was van
cognitieve ontwikkeling en toegenomen sociale ervaringen.
Kohlberg’s model: is in brede lijnen hetzelfde als dat van Piaget, maar Kohlberg verdeelde het in meer
fases. Volgens Kohlberg verloopt de morele ontwikkeling langzamer dan dat Piaget dacht. Fase 1-2 zouden
van toepassing zijn bij kinderen tot ongeveer 9 jaar. De meeste adolescenten en volwassenen zouden op
conventioneel niveau zitten (fase 3-4). Zeer weinig mensen zouden het postconventional niveau behalen.
Kritiek op zijn theorie is dat metingen van moraal redeneren zwak of zelfs niet gerelateerd zijn aan moreel
gedrag. Ook zou zijn model mogelijk biased zijn voor vrouwen, waardoor zij sneller in een hogere fase zitten.
Tot slot zou het cultuurspecifiek zijn en meer gericht zijn op individualistische culturen.
o Preconventional morality (= moraal redeneren gebaseerd op angst, straf, wens voor beloning)
Fase 1: Obedience and punishment orientation – goed gedrag is gebaseerd op de wens om
straf te vermijden van een autoriteitsfiguur
Fase 2: Hedonistic and intrumental orientation – goed is wat je eigen behoeften bevredigt.
Actief worden gemotiveerd voor een wens van beloning of voordeel
o Conventional morality (= moraal redeneren gebaseerd op meningen van andere of formele wetten)
Fase 3: Good boy, nice girl orientation – het doel is om je te gedragen op de manier die
anderen goedkeuren. Handelingen worden gemotiveerd door een angst van afwijzing.
Fase 4: authority or law-and-order orientation – moreel redeneren hangt meer af van sociale
normen.
o Postconventional or principled morality (= moraal redeneren gebaseerd op abstracte
onderliggende principes van goed en fout)
Fase 5: Social contract orienation – het doel is om te voldoen aan de verplichting om de
maatschappij rollende te houden
Fase 6: Hierarchy of principles orientation – het doel is om beslissingen te maken op bases
van de hoogst relevante morele principes. Regels van de maatschappij zijn geïntegreerd met
geweten en vormen een hiërachie van morele principes.
An overview of adolescent physical and cognitive development
De belangrijkste cogntieve berbeteringen zijn:
o Logisch denken wordt nu toegepast op het mogelijke, niet alleen op het echte
o Het vermogen om na te denken over relaties tussen mentaal gevormde concepten ontstaat, waardoor
er grote verbeteringen optreden in aandacht en geheugen vaardigheden
o Het denken van adolescenten wordt meer logisch en systematisch dan dat het was in de kindertijd.
Er zijn nog steeds cognitieve beperkingen, zoals de inconsistente toepassing van de recent verkregen
vaardigheden. Daarnaast is de kennisbasis groter en breidt deze zich nog uit, maar hij is nog niet zo groot als
in de volwassenheid wat bij kan dragen aan fouten in redeneren.
Wicks-Nelson. (2009). Mood disorders.
A historical perspective
3
Vignet 1: Wat zijn cognitieve ontwikkelingen van
adolescenten?
Vignet 2: Wat houden stemmingsstoornissen in?
Vignet 3: Depressie bij adolescenten
Vignet 4: Behandeling van depressie
DeHart. (2004). Physical and cognitive development in
adolescence.
Changes in thinking during adolescence
De adolescentie is een periode waarin jongeren
belangrijke nieuwe cognitieve vaardigheden
verkrijgen. Sommige ontwikkelingspsychologen,
waaronder Piaget, zien deze vaardigheden als het
markeerpunt van de transitie naar een kwalitatief
andere periode van ontwikkeling.
Een belangrijke verandering is dat adolescenten
logisch denken kunnen toepassen naar wat mogelijk
is (wat mogelijk bestaat) en niet alleen bij wat echt is
(wat bestaat). Ze lijken contingent truth te begrijpen.
Adolescenten kunnen verder kijken dan wat alleen door hun zintuigen duidelijk wordt en op basis hiervan
logische implicaties opstellen.
Een tweede ontwikkeling is dat adolescenten het vermogen hebben om na te denken over relaties over
mentaal gevormde concepten, bijvoorbeeld getallen. Een ander voorbeeld is dat een schoolgaand kind
(basisschool)) een abstract concept zoals moraliteit mogelijk definieert op basis van specifieke gedragingen
(bijv. niet stelen en de waarheid vertellen). Een adolescent begrijpt dat moraliteit interrelaties onder
verschillende concepten omvat, zoals eerlijkheid en vriendelijkheid. Het vermogen om te denken over relaties
van abstracte concepten geeft adolescenten meer capaciteit voor metacognition: denken over denken.
Daarnaast wordt het denken van adolescenten meer lo
gisch en systematisch dan dat in de kindertijd. Bij het gebruiken van hun nieuwe vaardigheden om na te
denken over abstracte concepten maken adolescenten gebruik van wat Piaget hypothetico-deductive
reasoning (= het vermogen om te denken over hypothetische oplossingen voor en probleem en om een
systematisch plan te formuleren om af te leiden welke oplossing correct is) noemde. Dit is nuttig bij situaties
waarin denken over mogelijke gevolgen van bepaalde handelingen vereisen.
Ontwikkelingspsychologen proberen nog steeds vast te stellen wat onderliggend is aan de cognitieve
veranderingen tijdens de adolescentie. Een verklaring is Piaget’s theory of formal operations
Piaget’s theory of formal operations
Piaget wees de cognitieve verbeteringen van adolescenten toe aan het ontwikkelen van het vermogen om
principes van propositionele logica toe te passen, welke hij formal operations noemde. Propositionele logica
bevat het combineren van verschillende individuele stellingen om logische conclusies te trekken (als A = .. en
B = … dan C = …).
Piaget beargumenteerde dat formal operations ervoor zorgen dat adolescenten meer abstract en
systematisch kunnen denken dan voorheen.
Piaget stelde dat cognitieve structuren en vermogens vernaderen, maar de onderliggende processen van
ontwikkeling niet.
Piaget’s experiments
Piaget bouwde zijn theorie voort op uitgebreid onderzoek. In zijn experimenten werden kinderen en
adolescenten een apparatus gegeven of een set van materialen. De taak was om deze items te manipuleren
zodat vastgesteld kon worden hoe ze werkten. Uit de experimenten bleek dat adolescenten deze taak anders
benaderen en begrepen dan schoolgaande kinderen
The law of floating bodies: het classificeren van objecten t.a.v. of ze zouden zinken of drijven in water.
Basisschoolkinderen snappen de concepten van volume en water, en daarom kunnen ze conservatie
problemen oplossen. Een begrip van dichtheid is gebaseerd op het begrijpen van de verhouding tussen
gewicht en volume en om dit te begrijpen moet nagedacht werden over de relatie tussen concepten.
Adolescenten zijn dus beter in deze taak en kunnen ook hun verklaring goed onderbouwen.
The pendulum study: dit experiment onderzoekt de effecten van een enkele variabele terwijl andere factoren
constant blijven. Men moest raden welke factor bepaalt hoelang het pendelum erover doet om van de ene
naar de andere kant te bewegen. Adolescenten gaan systematisch elke mogelijke factor testen, terwijl ze
overige factoren constant houden, waardoor ze het antwoord logisch kunnen achterhalen.
The all possible combinations study: alle mogelijke combinaties van vijf kleurloze vloeistoffen moesten
gevorm worden om vast te stellen welke combinatie geel zou worden. Adolescenten pasen hierbij een
1
, systematische benadeing toe en proberen alle mogelijke combinaties. Eerst twee soorten bij elkaar, dan drie
soorten en dan vier en dan vijf. Hierdoor probeerden ze mogelijke herhalingen te voorkomen, maar ook geen
combinatie te missen.
Is Piaget’s view correct?
Piaget’s omschrijving van de redeneervermogens van adolescenten zijn vrij accuraat. Andere onderzoekers
hebben soortgelijke veranderingen gevonden met leeftijd. Echter, net zoals bij de (vroege) kindertijd is er
kritiek op zijn uitleg. Onderzoekers hebben geen sterk bewijs gevonden voor zijn idee dat de cognitieve
verbeteringen het gevolg zijn van specifieke principes van formale logica (formal operations). Momenteel is er
geen overeenstemming hoe dev veranderingen verklaard kunnen worden.
How pervasive are formal operations?: een belangrijke vraag over Piaget’s theorie is hoe pervasief formal
operations zijn in het denken van adolescenten. Het lijkt gradueel te ontwikkelen. Sommige onderzoekers
stellen dat er onderscheid gemaakt moet worden tussen early en late adolescence. Early adolescents zouden
gebruik maken van formal reasoning op sommige taken of situaties, maar bij anderen niet (= emergent
formal operations). Middle en late adolescents zouden bewijs laten zien van consistent gebruik van formal
redeneneren bij het oplossen van problemen (= consolidated formal operations). Echter, het gebruikmaken
van formeel redeneren lijkt niet universeel. Daarnaast lijken formal operations meer cultuurgebonden dan
eerdere cognitieve vaardigheden in Piaget’s theorie.
Can formal operations be taught?: inzet om formal operations aan te leren hebben wat succes behaald,
afhankelijk van de leeftijd waarop het wordt ingezet (wel bij adolescenten, niet bij jongere kinderen). Hoge
intelligentie is mogelijk geassocieerd met vroege aanvang van formal operational skills. Mogelijk is de training
effectief omdat bestaande competenties worden vertoont, in plaats van nieuwe vaardigheden.
Are formal operations related to academic performance?: prestatie op formal operation taken is
gerelateerd aan metingen van intelligentie en metingen van intelligentie voorspellen prestaties op school.
Echter, metingen van formal operations bieden andere inzichten in cognitieve vaardigheden dan IQ-testen.
Formal operations voorspellen meer de prestatie op wetenschap en wiskunde in plaats van algemene
academische prestatie.
Other approaches to adolescent cognition
Information-processing explanations:
o Onderzoek naar de informatieverwerkingscapaciteiten van adolescenten indiceert consistent dat er
continue verbeternig is op aandachts- en geheugenvaardigheden. Grote verbeteringen worden
typisch gezien tussen de midden kindertijd en vroege adolescentie (8-12 jaar).
o In vergelijking met jongere kinderen zijn adolescenten beter in selective attention (= het focussen
van de aandacht op relevante stimuli ondanks afleidingen) en divided attention (= aandacht
besteden aan twee of meer taken tegelijkertijd). Sommige onderzoeken suggereren dat aandacht
vaardigheden zich ook in de late adolescentie verder ontwikkelen.
o Zowel het korte als het lange termijngeheugen verbeteren zich tussen de midden kindertijd en de
adolescentie. Een belangrijke vraag hierbij is in hoeverre de verbeteringen het gevolg zijn van
toenames in geheugencapaciteit en in hoeverre het te wijden is aan verbeteringen van
geheugenprocessen. De meeste onderzoekers zijn het erover eens dat verbeterde
geheugenprocessen een grotere rol spelen bij de geheugenverbeteringen dan een vergrote
capaciteit.
o Een andere factor in de verbeteringen van adolescenten op zowel geheugen- als
aandachtsprocessen is een toename in beschikbare cognitieve verwerkingscapaciteit. Deze toename
wordt vooral toegeschreven aan een toename van automatization van basis cognities, zodat ze met
minder effort en meer automatisch kunnen plaatsvinden.
o Daarnaast wordt een grotere kennisbasis genoemd als factor bij de verfijning van cognities bij
adolescenten. Echter, de kennisbasis heeft niet altijd een positieve impact op het cognitief
functioneren. Met name in technische en wetenschappelijke gebieden hebben adolescenten vaak
sterke misconcepties die erg star kunnen zijn.
Cognitive socialization:
o Cognitive socialization refereert naar de invloed van de sociale omgeving op het ontwikkelen van
cognitieve vaardigheden. Niet alleen familie en vrienden hebben sociale invloed, maar ook grotere
sociale, economische en culturele contexten. Hier is relatief gezien weinig onderzoek naar gedaan,
maar er is bewijs dat sociale factoren een belangrijke rol spelen en dat de praktische implicaties van
cognitive socialization aanzienlijk zijn.
o Individuele sociale interacties lijken een belangrijke rol te spelen bij de cognitieve vooruitgang van
adolescenten. Discussie met anderen lijkt higher-order denkvaardigheden te vergroten.
o Op het bredere sociale niveau heeft school duidelijk de meeste invloed. Andere culturele invloeden
zijn bijvoorbeeld televisie.
Social cognitive changes of adolescence
De nieuwe cognitieve vaardigheden van adolescenten hebben ook impact op het sociale domein.
2
, Adolescent egocentrism
Egocentrisme heeft betrekking op het falen in het maken van onderscheid tussen je eigen standpunt en een
meer objectieve conceptie van realiteit. Adolescent egocentrism heeft betrekking op de aanname van
jongeren dat ze de focus zijn van iedereens aandacht en dat hun ervaringen, gedachten en gevoelens uniek
zijn.
Het concept imaginary audience (= de ongegronde zorg van jongeren dat ze de focus van iedereens
aandacht zijn) lijkt van toepassing. Een ander omschreven aspect van adolescent egocentrisme is personal
fable (= het overdreven geloof van tieners dat ze uniek zijn).
Een reden waarom adolescenten dit egocentristische beeld ontwikkelen is dat hun nieuwe cognitieve
vaardigheden ervoor zorgen dat ze kunnen nadenken over concepten waarmee ze weinig daadwerkelijke
ervaring hebben, zoals romantische relaties. Een andere factor is mogelijk een toenemend begrip van
interpersoolijkheid of het vormen van een persoonlijke identiteit.
Moral reasoning
Een ander gebied van het sociale domein welke beïnvloed wordt door de cognitieve verbetering van
adolescenten is moreel redeneren; het proces van denken en het vellen van oordelen over het moreel juiste in
een bepaalde situatie. Piaget betrok de morele ontwikkeling in zijn brede theroei van cognitieve ontwikkeling
en Kohlberg ontwikkelde een six-stage model.
Piaget’s model: het model begint met een amoral stage, wat karakteristiek is voor kinderen van ongeveer 7
jaar. Tijdens de concrete operations period ontstaat de fase van moral realism (= de fase waarin kinderen
moraliteit als absoluut ervaren en morele grenzen onveranderlijk zijn. Gedrag is goed of fout en ze geloven in
iimmanent justice (= als ze een regel breken gebeuren er slechte dingen). De volgende fase van Piaget,
autonomous morality treedt op in de late kindertijd of vroege adolescentie. Moraliteit wordt gezien als relatief
naar de situatie. Bij het beoordelen van een bepaalde handeling als goed of fout wordt rekening gehouden
met de intenties en consequenties. Piaget geloofde dat morele ontwikkeling een direct gevolg was van
cognitieve ontwikkeling en toegenomen sociale ervaringen.
Kohlberg’s model: is in brede lijnen hetzelfde als dat van Piaget, maar Kohlberg verdeelde het in meer
fases. Volgens Kohlberg verloopt de morele ontwikkeling langzamer dan dat Piaget dacht. Fase 1-2 zouden
van toepassing zijn bij kinderen tot ongeveer 9 jaar. De meeste adolescenten en volwassenen zouden op
conventioneel niveau zitten (fase 3-4). Zeer weinig mensen zouden het postconventional niveau behalen.
Kritiek op zijn theorie is dat metingen van moraal redeneren zwak of zelfs niet gerelateerd zijn aan moreel
gedrag. Ook zou zijn model mogelijk biased zijn voor vrouwen, waardoor zij sneller in een hogere fase zitten.
Tot slot zou het cultuurspecifiek zijn en meer gericht zijn op individualistische culturen.
o Preconventional morality (= moraal redeneren gebaseerd op angst, straf, wens voor beloning)
Fase 1: Obedience and punishment orientation – goed gedrag is gebaseerd op de wens om
straf te vermijden van een autoriteitsfiguur
Fase 2: Hedonistic and intrumental orientation – goed is wat je eigen behoeften bevredigt.
Actief worden gemotiveerd voor een wens van beloning of voordeel
o Conventional morality (= moraal redeneren gebaseerd op meningen van andere of formele wetten)
Fase 3: Good boy, nice girl orientation – het doel is om je te gedragen op de manier die
anderen goedkeuren. Handelingen worden gemotiveerd door een angst van afwijzing.
Fase 4: authority or law-and-order orientation – moreel redeneren hangt meer af van sociale
normen.
o Postconventional or principled morality (= moraal redeneren gebaseerd op abstracte
onderliggende principes van goed en fout)
Fase 5: Social contract orienation – het doel is om te voldoen aan de verplichting om de
maatschappij rollende te houden
Fase 6: Hierarchy of principles orientation – het doel is om beslissingen te maken op bases
van de hoogst relevante morele principes. Regels van de maatschappij zijn geïntegreerd met
geweten en vormen een hiërachie van morele principes.
An overview of adolescent physical and cognitive development
De belangrijkste cogntieve berbeteringen zijn:
o Logisch denken wordt nu toegepast op het mogelijke, niet alleen op het echte
o Het vermogen om na te denken over relaties tussen mentaal gevormde concepten ontstaat, waardoor
er grote verbeteringen optreden in aandacht en geheugen vaardigheden
o Het denken van adolescenten wordt meer logisch en systematisch dan dat het was in de kindertijd.
Er zijn nog steeds cognitieve beperkingen, zoals de inconsistente toepassing van de recent verkregen
vaardigheden. Daarnaast is de kennisbasis groter en breidt deze zich nog uit, maar hij is nog niet zo groot als
in de volwassenheid wat bij kan dragen aan fouten in redeneren.
Wicks-Nelson. (2009). Mood disorders.
A historical perspective
3