Biologie samenvatting H5: Evolutie
Paragraaf 5.1: De evolutietheorie
Voor de 19e eeuw waren biologen er van overtuigd dat leven op aarde spontaan was
ontstaan (theorie van de generatio spontanea).
Jean de Lamarck was een van de eerste die een evolutietheorie opstelde. Hij geloofde in de
langzame verandering van soorten.
De bekendste evolutietheorie is die van Charles Darwin. De huidige evolutietheorie lijkt veel
op die van Darwin en heet daarom ook de neodarwinistische evolutietheorie.
Tegenover de evolutietheorie staat het creationisme. Mensen die geloven in het
creationisme, geloven het verhaal van de Bijbel, Koran of Thora. Het creationisme heeft ook
verschillende stromingen zoals intelligent design. Deze mensen geloven dat het leven zo
ingewikkeld is, dat het moet ontworpen zijn door een intelligent wezen.
Het verschijnsel dat organismen met een grotere overlevingskans door het best aangepast te
zijn zich meer voortplanten heet natuurlijke selectie of survival of the fittest. Aangepastheid
is te danken aan mutaties en genetische variatie door recombinatie binnen een populatie.
Organismen met een ongunstig genotype hebben dus een lagere overlevingskans.
De selectiedruk is een aanduiding voor hoe hoog de drang is om aangepast de zijn. Bij een
lage selectiedruk overleven alle genotypen van een soort (bijvoorbeeld als er genoeg
bladeren in de bomen zijn voor giraffen). Als de selectiedruk hoog is, is de drang dat de
fittest overleven hoog (door droogte zijn alleen de bovenste blaadjes van een boom
bereikbaar, alleen giraffen met een lange nek overleven dus).
Een populatie met een grote genetische diversiteit heeft een grotere overlevingskans omdat
deze bestand is tegen milieuveranderingen. De kans is groter dat er voor ieder nieuwe
situatie wel een ‘’fittest’’ is.
Paragraaf 5.2: Evolutie van de mens
Mensen en apen hebben een gemeenschappelijke voorvader.
Paragraaf 5.3: Evolutie van een soort
Een soort is de grootste verzameling van populaties waartussen een effectieve uitwisseling
van genen plaatsvindt of kan plaatsvinden.
De genenpool is de verzameling van alle genen in een populatie. Elk allel binnen een
genenpool heeft een allelfrequentie (hoe vaak dit allel voorkomt binnen een genenpool. Een
getal van 0 tot 1).
Is er geen selectiedruk? Dan worden allelen willekeurig doorgegeven. Is de allelfrequentie
van een bepaald allel groot? Dan is de kans dat dit allel veel voorkomt in de volgende
, generatie groot. Door natuurlijke selectie kan een allelfrequentie toenemen van een allel dat
de hoogste overlevingskans heeft.
Zijn er geen beïnvloedende factoren op de allelfrequentie? Dan geldt de regel van Hardy-
Weinberg:
P+Q=1
Waarin:
P= de allelfrequentie van allel A
En
Q= de allelfrequentie van allel a
P2 +2 PQ +Q2=1
De allelfrequentie AA is dus P2
De allelfrequentie Aa is dus 2 PQ
De allelfrequentie Aa is dus Q 2
Zijn er wel beïnvloedende factoren? Dan geldt de regel van Hardy-Weinberg niet.
De overlevingskans verandert als er bij voorbeeld door een mutatie een nieuwe dominant
allel ontstaat dat gelijk zichtbaar is in het fenotype. Is dit een goede verandering? Dan neemt
de allelfrequentie van dit nieuwe dominante allel toe.
Micro-evolutie is de verandering van genfrequentie in een populatie. Macro-evolutie is het
ontstaan van nieuwe soorten en groepen organismen. Co-evolutie is als een evoluerende
soort een andere soort doet mee-evolueren.
Genetica drift is het verschijnsel dat in kleine populaties door toeval grote verschuivingen in
allelfrequentie opdoen.
Wanneer het aantal individuen van een soort door bepaalde gebeurtenissen sterk
terugloopt, kan de kleinere genenpool een andere samenstelling krijgen dan de
oorspronkelijke genenpool, heet dit het flessenhalseffect. Genetic drift kan ook voorkomen
doordat een klein deel van een populatie zich vestigt in een nieuw gebied. Dit heet het
foundereffect.
Paragraaf 5.4: Het ontstaan van nieuwe soorten
Men spreekt van reproductieve isolatie als er gedurende lange tijd geen voortplanting
plaatsvindt tussen de individuen van twee of meer populaties. Daardoor vindt er geen
uitwisseling van genen plaats en bereiken mutaties in de ene populatie de ander niet. Zo
kunnen over miljoenen jaren twee soorten ontstaan uit 2 populaties.
Reproductieve isolatie kan op 3 manieren plaatsvinden:
Paragraaf 5.1: De evolutietheorie
Voor de 19e eeuw waren biologen er van overtuigd dat leven op aarde spontaan was
ontstaan (theorie van de generatio spontanea).
Jean de Lamarck was een van de eerste die een evolutietheorie opstelde. Hij geloofde in de
langzame verandering van soorten.
De bekendste evolutietheorie is die van Charles Darwin. De huidige evolutietheorie lijkt veel
op die van Darwin en heet daarom ook de neodarwinistische evolutietheorie.
Tegenover de evolutietheorie staat het creationisme. Mensen die geloven in het
creationisme, geloven het verhaal van de Bijbel, Koran of Thora. Het creationisme heeft ook
verschillende stromingen zoals intelligent design. Deze mensen geloven dat het leven zo
ingewikkeld is, dat het moet ontworpen zijn door een intelligent wezen.
Het verschijnsel dat organismen met een grotere overlevingskans door het best aangepast te
zijn zich meer voortplanten heet natuurlijke selectie of survival of the fittest. Aangepastheid
is te danken aan mutaties en genetische variatie door recombinatie binnen een populatie.
Organismen met een ongunstig genotype hebben dus een lagere overlevingskans.
De selectiedruk is een aanduiding voor hoe hoog de drang is om aangepast de zijn. Bij een
lage selectiedruk overleven alle genotypen van een soort (bijvoorbeeld als er genoeg
bladeren in de bomen zijn voor giraffen). Als de selectiedruk hoog is, is de drang dat de
fittest overleven hoog (door droogte zijn alleen de bovenste blaadjes van een boom
bereikbaar, alleen giraffen met een lange nek overleven dus).
Een populatie met een grote genetische diversiteit heeft een grotere overlevingskans omdat
deze bestand is tegen milieuveranderingen. De kans is groter dat er voor ieder nieuwe
situatie wel een ‘’fittest’’ is.
Paragraaf 5.2: Evolutie van de mens
Mensen en apen hebben een gemeenschappelijke voorvader.
Paragraaf 5.3: Evolutie van een soort
Een soort is de grootste verzameling van populaties waartussen een effectieve uitwisseling
van genen plaatsvindt of kan plaatsvinden.
De genenpool is de verzameling van alle genen in een populatie. Elk allel binnen een
genenpool heeft een allelfrequentie (hoe vaak dit allel voorkomt binnen een genenpool. Een
getal van 0 tot 1).
Is er geen selectiedruk? Dan worden allelen willekeurig doorgegeven. Is de allelfrequentie
van een bepaald allel groot? Dan is de kans dat dit allel veel voorkomt in de volgende
, generatie groot. Door natuurlijke selectie kan een allelfrequentie toenemen van een allel dat
de hoogste overlevingskans heeft.
Zijn er geen beïnvloedende factoren op de allelfrequentie? Dan geldt de regel van Hardy-
Weinberg:
P+Q=1
Waarin:
P= de allelfrequentie van allel A
En
Q= de allelfrequentie van allel a
P2 +2 PQ +Q2=1
De allelfrequentie AA is dus P2
De allelfrequentie Aa is dus 2 PQ
De allelfrequentie Aa is dus Q 2
Zijn er wel beïnvloedende factoren? Dan geldt de regel van Hardy-Weinberg niet.
De overlevingskans verandert als er bij voorbeeld door een mutatie een nieuwe dominant
allel ontstaat dat gelijk zichtbaar is in het fenotype. Is dit een goede verandering? Dan neemt
de allelfrequentie van dit nieuwe dominante allel toe.
Micro-evolutie is de verandering van genfrequentie in een populatie. Macro-evolutie is het
ontstaan van nieuwe soorten en groepen organismen. Co-evolutie is als een evoluerende
soort een andere soort doet mee-evolueren.
Genetica drift is het verschijnsel dat in kleine populaties door toeval grote verschuivingen in
allelfrequentie opdoen.
Wanneer het aantal individuen van een soort door bepaalde gebeurtenissen sterk
terugloopt, kan de kleinere genenpool een andere samenstelling krijgen dan de
oorspronkelijke genenpool, heet dit het flessenhalseffect. Genetic drift kan ook voorkomen
doordat een klein deel van een populatie zich vestigt in een nieuw gebied. Dit heet het
foundereffect.
Paragraaf 5.4: Het ontstaan van nieuwe soorten
Men spreekt van reproductieve isolatie als er gedurende lange tijd geen voortplanting
plaatsvindt tussen de individuen van twee of meer populaties. Daardoor vindt er geen
uitwisseling van genen plaats en bereiken mutaties in de ene populatie de ander niet. Zo
kunnen over miljoenen jaren twee soorten ontstaan uit 2 populaties.
Reproductieve isolatie kan op 3 manieren plaatsvinden: