Project 4
Part 1
Carruth, B.R., Ziegler, P.J., Gordon, A. & Hendricks, K. (2004). Developmental Milestones and
Self-Feeding Behaviors in Infants and Toddlers. Journal of the American Dietetic Association,
104(1), 51-56.
Introductie:
De ontwikkelingsvolgorde wordt beïnvloed door gezondheid, inclusief de afwezigheid van
geboorte- of neonatale abnormaliteiten en culturele factoren. Bij gezonde kinderen (<2 jaar)
worden: voedselinname, gewichtstoename en lengte vaak gebruikt als een indicatie voor normale
ontwikkeling en welzijn.
Doelen van de studie: (1) identificeren van de leeftijden waarop grote motorische
ontwikkelingsmijlpalen en fijne motorische vaardigheden vereist voor zelfvoeding werden
gerapporteerd door de primaire verzorgers, en (2) om deze zelfvoedingsvaardigheden te relateren
aan de inname van energie en nutriënten op deze leeftijden.
Methode:
Cross- sectionele studie (Feeding Infancts and Toddler Study, FITS), waar 3022 kinderen (4-24
maanden) aan meedoen.
Resultaten:
- Grijpt eten met handen (4 – 11 maanden, 68% - 98%)
- Verwijderd eten van lepel met lippen zonder veel te morsen (7/8 maanden 77%, 9/11
maanden 88%, 12/14 maanden 90%, 15/18 maanden 96% en 19/24 maanden 97%)
- Kind voedt zichzelf met lepel zonder veel te morsen (7/8 maanden 5%, 9/11 maanden
11%, 12/14 maanden 29%, 15/18 maanden 64% en 19/24 maanden 88%)
- Kind drinkt uit een sippycup zonder hulp (7/8 maanden 42%, 9/11 maanden 70%, 12/14
maanden 91%, 15/18 maanden 96% en 19/24 maanden 99%)
- Kind drukt uit normale beker zonder hulp (9/11 maanden 10%, 12/14 maanden 14%,
15/18 maanden 34% en 19/24 maanden 57%)
- Kind eet voedsel waarop het moet kauwen (7/8 maanden 53%, 9/11 maanden 87%, 12/14
maanden 95%, 15/18 maanden 99% en 19/24 maanden 99%)
Discussie:
- Tanden
o Normaal aantal tanden voor kinderen in de eerste 2 jaar. Een kind van 2 heeft
gemiddeld 16 tanden en in het derde jaar komen de kiezen.
- Motorische ontwikkelingsmijlpalen
o Alle kinderen konden hun hoofd oprichten tussen 4-6 maanden (deze resultaten
werden ook verwacht).
o De vaardigheid om te rollen en terug te rollen tussen 4-6 maanden (was eerder
dan verwacht), maar rond 7-8 maanden viel dit in het normale gebied.
o Kinderen kunnen met ondersteuning zitten rond 5 maanden. De FITS-data vond
vergelijkbare resultaten over wanneer kinderen zelfstandig kunnen zitten (5,5
2,1 maanden).
, o Kinderen kunnen meestal tussen 7-10 maanden kruipen. De FITS-resultaten laten
zien dat 80% van de kinderen deze mijlpaal hadden bereikt tussen 9-11 maanden.
o De gemiddelde leeftijd voor lopen terwijl ergens aan vastgehouden wordt is 8-12
maanden. 83% van de kinderen hadden deze mijlpaal tussen 9-11 maanden
bereikt. Waarvan 35% twee stappen kon nemen zonder hulp.
o 8-12 maanden is een gemiddelde leeftijd waarop kinderen hun eerste zelfstandige
stappen nemen. De meeste kinderen in de FITS-studie konden dit tussen 12-14
maanden.
o 13 maanden gemiddeld zelfstandig lopen. 12-14 maanden 75% van de FITS-
kinderen en 19-24 maanden 94% van de FITS-kinderen.
- Zelfvoedingsvaardigheden en nutriënt inname
o De inname van energie en voedingsstoffen waren adequaat of overtroffen de
aanbevelingen voor elke leeftijd, en de groeicurven van de FITS-kinderen
voldeden aan de normatieve standaarden voor leeftijd en geslacht.
o Resultaten suggereren dat baby’s en peuters waarvan gemeld werd dat ze eerder
zelfvoedingsvaardigheden vertoonden (7-14 maanden) een hogere inname van
energie en voedingsstoffen hadden dan hun leeftijdsgenoten.
o Echter hadden de kinderen (die zowel eerder als later zelfvoedingsvaardigheden
vertoonden) vergelijkbare vermogens op de leeftijd van 15-18 maanden.
o Drinken uit een gewone beker (57% 19-24 maanden) kwam niet overeen met
eerdere resultaten (15-24 maanden). Dit kan een gevolg zijn van het voortgezette
gebruik van een sippycup.
o In een groep kinderen (2-24 maanden) werd gevonden dat de gemiddelde
leeftijden waarin zelfvoedingsgedrag werd gerapporteerd binnen de verwachte
leeftijd range viel. Moeders rapporteerden een brede leeftijd range waarin
kinderen de geselecteerde vaardigheden lieten zien.
o Een verklaring voor de verschillen in energie- en voedingsinname door
zelfvoedingsvaardigheden en leeftijd, is of de verzorger genoeg kans gaf aan het
kind om zichzelf te voeden en exploratieve activiteiten te doen.
o De significante verschillen in nutriëntinname door gerapporteerde
zelfvoedingsvaardigheden weerspiegelen waarschijnlijk interindividuele en intra-
individuele ontwikkelingsverschillen tussen baby’s en peuters van dezelfde
leeftijd (bv. Het krijgen van tanden).
o De energie inname van de FITS-groep was over het algemeen hoog. Het kan zijn
dat deze inname over gerapporteerd is door ouders. Over rapportage in het
algemeen zou echter geen verklaring bieden voor de hogere nutriëntinname voor
baby’s en peuters met meer geavanceerde zelfvoedingsvaardigheden dan andere
kinderen in hun leeftijdsgroep.
o Er kan niet uitgesloten worden of de over rapportage verschilt per categorie (bv.
Verspilling van voedsel is niet meegenomen door kinderen die zelf voeden). Dit
zou de resultaten kunnen hebben beïnvloed.
2
, o Concluderend suggereren de FITS-begindingen dat het behalen van grove
motorische ontwikkelingsmijlpalen en zelfvoedingsvaardigheden op een eerdere
leeftijd geassocieerd zijn met hogere innames van sommige voedingstoffen bij
kinderen van 7-14 maanden. De inname van nutriënten in de FITS was echter
geschikt voor alle leeftijdsgroepen, ongeacht de aanwezigheid of afwezigheid van
voedingsvaardigheden.
Limitaties van de studie:
- Er is gebruik gemaakt van telefooninterviews, waardoor er geen observaties of
verificaties zijn gedaan van de voedselinname of indicatoren van de motorische
ontwikkeling of fijne motorische-/voedingsvaardigheden.
- Door de cross-sectionele opzet waren de kinderen niet hetzelfde op elke leeftijd.
- Gerapporteerde leeftijden van grove en fijne motorische vaardigheden kunnen een bias
omvatten als de verzorgers niet instaat waren om de ontwikkeling van het kind accuraat
te rapporteren.
- Er kunnen toevallige nutriënten verschillen hebben plaatsgevonden, dankzij het aantal t
testen en het significantie level
3
, Owens, J.A. (2008). Sleep and sleep Disorders in children In Wolraich, M.L., Developmental-
Behavioral Pediatrics: Evidence and Practice (pp.743-755). Philadelphia: Mosby Elsevier.
Beschikbaar in Studielandschap Psychologie UB.
Tevens overzichtshoofdstuk bij part 2 en 3
Normale slaap bij baby’s kinderen en adolescenten
Er is een drastische afname in REM slaap en SWS slaap als het kind ouder wordt. Slaap cycli
worden langer, wat resulteert in minder spontane opwinding.
- Er is een afname van het totaalaantal uren slaap naarmate het kind ouder wordt
(nachtelijk en overdag tussen 18 maanden en 5 jaar).
- Langzaam verlaat de bedtijd (begin midden kindertijd).
- Slaap-waak patronen op school en niet school nachten gaan meer van elkaar verschillen
van de midden kindertijd tot de adolescentie.
Slaap in pasgeborenen
- 16 – 20 uur per dag.
- 1 tot 4 uur slaap en dan 1 tot 2 uur wakker.
- Slaap cycli zijn afhankelijk van honger en verzadigdheid (flesvoeding zorgt voor langere
slaap dan borstvoeding).
- 2 staten: volwassen REM-slaap en non-REM slaap.
Slaap in baby’s (1 tot 12 maanden)
- 14 – 15 uur per dag, 4 maanden. 13 – 14 uur per dag, 6 maanden.
- Grote intra-individuele verschillen in slaapduur.
- 3 – 4 uur per periode in de eerste 3 maanden, 6 – 8 uur per periode van 4 tot 6 maanden.
Meeste kinderen tussen 6 tot 12 maanden dut twee keer per dag 2 – 4 uur.
- 2 mijlpalen bereikt in de eerste 6 maanden
o Slaapconsolidatie, slapen voor een doorlopende periode gedurende de nacht,
aangevuld door kortere periode van slaap overdag.
Ontwikkelt tussen 6 weken en 3 maanden.
70-80% bereikt het voor 9 maanden.
o Slaapregulatie, de vaardigheid om de interne staat van opwinding te controleren
waardoor het kind in slaap kan vallen zonder interventie van de ouders of
assistentie om weer in slaap te vallen.
Zelf kalmeren begint te ontwikkelen rond 12 weken.
Slaap in peuters (12 tot 36 maanden)
- 12 uur per dag.
- Dutten ½ - 3 ½ uur per dag, de meeste peuters dutten nog maar 1 keer rond 18 maanden.
- Meer ontwikkelings- en omgevingsinvloeden op slaap.
o Bijvoorbeeld ontwikkeling van verbeeldingen
- Slaapproblemen veel voorkomend (25 – 30%), bedtijd verzet (10 – 15%) en nachtelijk
ontwaken (15 – 20%).
Slaap in kleuters (3 tot 5 jaar)
- 11 – 12 uur per dag.
4
Part 1
Carruth, B.R., Ziegler, P.J., Gordon, A. & Hendricks, K. (2004). Developmental Milestones and
Self-Feeding Behaviors in Infants and Toddlers. Journal of the American Dietetic Association,
104(1), 51-56.
Introductie:
De ontwikkelingsvolgorde wordt beïnvloed door gezondheid, inclusief de afwezigheid van
geboorte- of neonatale abnormaliteiten en culturele factoren. Bij gezonde kinderen (<2 jaar)
worden: voedselinname, gewichtstoename en lengte vaak gebruikt als een indicatie voor normale
ontwikkeling en welzijn.
Doelen van de studie: (1) identificeren van de leeftijden waarop grote motorische
ontwikkelingsmijlpalen en fijne motorische vaardigheden vereist voor zelfvoeding werden
gerapporteerd door de primaire verzorgers, en (2) om deze zelfvoedingsvaardigheden te relateren
aan de inname van energie en nutriënten op deze leeftijden.
Methode:
Cross- sectionele studie (Feeding Infancts and Toddler Study, FITS), waar 3022 kinderen (4-24
maanden) aan meedoen.
Resultaten:
- Grijpt eten met handen (4 – 11 maanden, 68% - 98%)
- Verwijderd eten van lepel met lippen zonder veel te morsen (7/8 maanden 77%, 9/11
maanden 88%, 12/14 maanden 90%, 15/18 maanden 96% en 19/24 maanden 97%)
- Kind voedt zichzelf met lepel zonder veel te morsen (7/8 maanden 5%, 9/11 maanden
11%, 12/14 maanden 29%, 15/18 maanden 64% en 19/24 maanden 88%)
- Kind drinkt uit een sippycup zonder hulp (7/8 maanden 42%, 9/11 maanden 70%, 12/14
maanden 91%, 15/18 maanden 96% en 19/24 maanden 99%)
- Kind drukt uit normale beker zonder hulp (9/11 maanden 10%, 12/14 maanden 14%,
15/18 maanden 34% en 19/24 maanden 57%)
- Kind eet voedsel waarop het moet kauwen (7/8 maanden 53%, 9/11 maanden 87%, 12/14
maanden 95%, 15/18 maanden 99% en 19/24 maanden 99%)
Discussie:
- Tanden
o Normaal aantal tanden voor kinderen in de eerste 2 jaar. Een kind van 2 heeft
gemiddeld 16 tanden en in het derde jaar komen de kiezen.
- Motorische ontwikkelingsmijlpalen
o Alle kinderen konden hun hoofd oprichten tussen 4-6 maanden (deze resultaten
werden ook verwacht).
o De vaardigheid om te rollen en terug te rollen tussen 4-6 maanden (was eerder
dan verwacht), maar rond 7-8 maanden viel dit in het normale gebied.
o Kinderen kunnen met ondersteuning zitten rond 5 maanden. De FITS-data vond
vergelijkbare resultaten over wanneer kinderen zelfstandig kunnen zitten (5,5
2,1 maanden).
, o Kinderen kunnen meestal tussen 7-10 maanden kruipen. De FITS-resultaten laten
zien dat 80% van de kinderen deze mijlpaal hadden bereikt tussen 9-11 maanden.
o De gemiddelde leeftijd voor lopen terwijl ergens aan vastgehouden wordt is 8-12
maanden. 83% van de kinderen hadden deze mijlpaal tussen 9-11 maanden
bereikt. Waarvan 35% twee stappen kon nemen zonder hulp.
o 8-12 maanden is een gemiddelde leeftijd waarop kinderen hun eerste zelfstandige
stappen nemen. De meeste kinderen in de FITS-studie konden dit tussen 12-14
maanden.
o 13 maanden gemiddeld zelfstandig lopen. 12-14 maanden 75% van de FITS-
kinderen en 19-24 maanden 94% van de FITS-kinderen.
- Zelfvoedingsvaardigheden en nutriënt inname
o De inname van energie en voedingsstoffen waren adequaat of overtroffen de
aanbevelingen voor elke leeftijd, en de groeicurven van de FITS-kinderen
voldeden aan de normatieve standaarden voor leeftijd en geslacht.
o Resultaten suggereren dat baby’s en peuters waarvan gemeld werd dat ze eerder
zelfvoedingsvaardigheden vertoonden (7-14 maanden) een hogere inname van
energie en voedingsstoffen hadden dan hun leeftijdsgenoten.
o Echter hadden de kinderen (die zowel eerder als later zelfvoedingsvaardigheden
vertoonden) vergelijkbare vermogens op de leeftijd van 15-18 maanden.
o Drinken uit een gewone beker (57% 19-24 maanden) kwam niet overeen met
eerdere resultaten (15-24 maanden). Dit kan een gevolg zijn van het voortgezette
gebruik van een sippycup.
o In een groep kinderen (2-24 maanden) werd gevonden dat de gemiddelde
leeftijden waarin zelfvoedingsgedrag werd gerapporteerd binnen de verwachte
leeftijd range viel. Moeders rapporteerden een brede leeftijd range waarin
kinderen de geselecteerde vaardigheden lieten zien.
o Een verklaring voor de verschillen in energie- en voedingsinname door
zelfvoedingsvaardigheden en leeftijd, is of de verzorger genoeg kans gaf aan het
kind om zichzelf te voeden en exploratieve activiteiten te doen.
o De significante verschillen in nutriëntinname door gerapporteerde
zelfvoedingsvaardigheden weerspiegelen waarschijnlijk interindividuele en intra-
individuele ontwikkelingsverschillen tussen baby’s en peuters van dezelfde
leeftijd (bv. Het krijgen van tanden).
o De energie inname van de FITS-groep was over het algemeen hoog. Het kan zijn
dat deze inname over gerapporteerd is door ouders. Over rapportage in het
algemeen zou echter geen verklaring bieden voor de hogere nutriëntinname voor
baby’s en peuters met meer geavanceerde zelfvoedingsvaardigheden dan andere
kinderen in hun leeftijdsgroep.
o Er kan niet uitgesloten worden of de over rapportage verschilt per categorie (bv.
Verspilling van voedsel is niet meegenomen door kinderen die zelf voeden). Dit
zou de resultaten kunnen hebben beïnvloed.
2
, o Concluderend suggereren de FITS-begindingen dat het behalen van grove
motorische ontwikkelingsmijlpalen en zelfvoedingsvaardigheden op een eerdere
leeftijd geassocieerd zijn met hogere innames van sommige voedingstoffen bij
kinderen van 7-14 maanden. De inname van nutriënten in de FITS was echter
geschikt voor alle leeftijdsgroepen, ongeacht de aanwezigheid of afwezigheid van
voedingsvaardigheden.
Limitaties van de studie:
- Er is gebruik gemaakt van telefooninterviews, waardoor er geen observaties of
verificaties zijn gedaan van de voedselinname of indicatoren van de motorische
ontwikkeling of fijne motorische-/voedingsvaardigheden.
- Door de cross-sectionele opzet waren de kinderen niet hetzelfde op elke leeftijd.
- Gerapporteerde leeftijden van grove en fijne motorische vaardigheden kunnen een bias
omvatten als de verzorgers niet instaat waren om de ontwikkeling van het kind accuraat
te rapporteren.
- Er kunnen toevallige nutriënten verschillen hebben plaatsgevonden, dankzij het aantal t
testen en het significantie level
3
, Owens, J.A. (2008). Sleep and sleep Disorders in children In Wolraich, M.L., Developmental-
Behavioral Pediatrics: Evidence and Practice (pp.743-755). Philadelphia: Mosby Elsevier.
Beschikbaar in Studielandschap Psychologie UB.
Tevens overzichtshoofdstuk bij part 2 en 3
Normale slaap bij baby’s kinderen en adolescenten
Er is een drastische afname in REM slaap en SWS slaap als het kind ouder wordt. Slaap cycli
worden langer, wat resulteert in minder spontane opwinding.
- Er is een afname van het totaalaantal uren slaap naarmate het kind ouder wordt
(nachtelijk en overdag tussen 18 maanden en 5 jaar).
- Langzaam verlaat de bedtijd (begin midden kindertijd).
- Slaap-waak patronen op school en niet school nachten gaan meer van elkaar verschillen
van de midden kindertijd tot de adolescentie.
Slaap in pasgeborenen
- 16 – 20 uur per dag.
- 1 tot 4 uur slaap en dan 1 tot 2 uur wakker.
- Slaap cycli zijn afhankelijk van honger en verzadigdheid (flesvoeding zorgt voor langere
slaap dan borstvoeding).
- 2 staten: volwassen REM-slaap en non-REM slaap.
Slaap in baby’s (1 tot 12 maanden)
- 14 – 15 uur per dag, 4 maanden. 13 – 14 uur per dag, 6 maanden.
- Grote intra-individuele verschillen in slaapduur.
- 3 – 4 uur per periode in de eerste 3 maanden, 6 – 8 uur per periode van 4 tot 6 maanden.
Meeste kinderen tussen 6 tot 12 maanden dut twee keer per dag 2 – 4 uur.
- 2 mijlpalen bereikt in de eerste 6 maanden
o Slaapconsolidatie, slapen voor een doorlopende periode gedurende de nacht,
aangevuld door kortere periode van slaap overdag.
Ontwikkelt tussen 6 weken en 3 maanden.
70-80% bereikt het voor 9 maanden.
o Slaapregulatie, de vaardigheid om de interne staat van opwinding te controleren
waardoor het kind in slaap kan vallen zonder interventie van de ouders of
assistentie om weer in slaap te vallen.
Zelf kalmeren begint te ontwikkelen rond 12 weken.
Slaap in peuters (12 tot 36 maanden)
- 12 uur per dag.
- Dutten ½ - 3 ½ uur per dag, de meeste peuters dutten nog maar 1 keer rond 18 maanden.
- Meer ontwikkelings- en omgevingsinvloeden op slaap.
o Bijvoorbeeld ontwikkeling van verbeeldingen
- Slaapproblemen veel voorkomend (25 – 30%), bedtijd verzet (10 – 15%) en nachtelijk
ontwaken (15 – 20%).
Slaap in kleuters (3 tot 5 jaar)
- 11 – 12 uur per dag.
4