Virologie Evelien Floor
HC1 introductie virologie
Geschiedenis van virologie
De ontdekking van virussen begon allemaal met het tabak
mozaïek virus die ervoor zorgde dat tabak bedierf. Om te
testen of dit kwam door een bacterie werd gebruik gemaakt
van Chamberland en Berkefeld filters. Deze filters waren
ondoordringbaar voor bacteriën maar wel voor andere
stoffen (virussen).
Er werd dan een extract gemaakt van de aangedane
tabaksplant en door deze filters gebracht. Het filtraat was
dan steriel. Dit filtraat werd dan gebruikt om een nieuw blad
te infecteren. Met dit filtraat ontstond inderdaad weer
dezelfde laesie. Zo kwam men erachter dat de stof in het
filtraat geen gifstof was maar een infectieuze agentia die zich kon repliceren.
Virussen komen voor in alle cellulaire organismen. Ze hebben een grote variëteit in replicatie
strategieën.
Definitie virus: virussen zijn kleine infectieuze agentia met een acellulaire organisatie. Het zijn obligaat
intracellulaire parasieten, ze hebben levende cellen nodig om zich te laten vermenigvuldigen. Ze
hebben een genetische drager waarop hun eigenschappen zijn vastgelegd: een genoom van RNA of
DNA. Dit genetische materiaal wordt van de ene gastheer cel naar de andere gastheer cel
getransporteerd door een virion, welke bestaat uit genetisch materiaal van het virus omgeven door
een mantel van eiwit.
Functie van het virion
Een virion is in feite een moleculaire nanomachine. Een virion dient voor het condenseren en inpakken
van het genoom. Daarnaast beschermt een virion het genoom voor pH, temperatuur, straling en
enzymatische afbraak. Bovendien is het virion belangrijk voor transmissie:
• Transport van cel naar cel of van host naar host.
• Aanhechting en entry in de host cel
Er is echter een paradox: de stabiele interacties die zorgen voor autoassemblage van virions in host
cellen moet weer reversibel zijn voor uncoating. Dit wordt opgelost doordat de virions metastabiel
zijn. Metastabiliteit houdt in dat tijdens de biosynthese van de eiwitten energie wordt opgeslagen in
de vouwing van het eiwit en deze energie kan worden vrijgezet om bepaalde processen af te dwingen
op het moment dat dit nodig is.
Virus structuur
Traditionele virussen zijn erg klein: 10-400 nanometer. De meeste virussen zijn zo klein dat ze alleen
kunnen worden waargenomen met elektronenmicroscopie. Er zijn echter ook grote virussen, de
girussen, die voorkomen bij protozoa. Deze beschikken over een grote genetische complexiteit, soms
zelfs groter dan die van bacteriën, archaea en protozoa. Ze verschillen dus wel van de reguliere
virussen.
Technieken om virus structuren te onderzoeken:
• Elektronenmicroscopie
• Cryo-elektronen microscopie
• Tomografie
• X-ray kristallografie
1
HC1 introductie virologie
Geschiedenis van virologie
De ontdekking van virussen begon allemaal met het tabak
mozaïek virus die ervoor zorgde dat tabak bedierf. Om te
testen of dit kwam door een bacterie werd gebruik gemaakt
van Chamberland en Berkefeld filters. Deze filters waren
ondoordringbaar voor bacteriën maar wel voor andere
stoffen (virussen).
Er werd dan een extract gemaakt van de aangedane
tabaksplant en door deze filters gebracht. Het filtraat was
dan steriel. Dit filtraat werd dan gebruikt om een nieuw blad
te infecteren. Met dit filtraat ontstond inderdaad weer
dezelfde laesie. Zo kwam men erachter dat de stof in het
filtraat geen gifstof was maar een infectieuze agentia die zich kon repliceren.
Virussen komen voor in alle cellulaire organismen. Ze hebben een grote variëteit in replicatie
strategieën.
Definitie virus: virussen zijn kleine infectieuze agentia met een acellulaire organisatie. Het zijn obligaat
intracellulaire parasieten, ze hebben levende cellen nodig om zich te laten vermenigvuldigen. Ze
hebben een genetische drager waarop hun eigenschappen zijn vastgelegd: een genoom van RNA of
DNA. Dit genetische materiaal wordt van de ene gastheer cel naar de andere gastheer cel
getransporteerd door een virion, welke bestaat uit genetisch materiaal van het virus omgeven door
een mantel van eiwit.
Functie van het virion
Een virion is in feite een moleculaire nanomachine. Een virion dient voor het condenseren en inpakken
van het genoom. Daarnaast beschermt een virion het genoom voor pH, temperatuur, straling en
enzymatische afbraak. Bovendien is het virion belangrijk voor transmissie:
• Transport van cel naar cel of van host naar host.
• Aanhechting en entry in de host cel
Er is echter een paradox: de stabiele interacties die zorgen voor autoassemblage van virions in host
cellen moet weer reversibel zijn voor uncoating. Dit wordt opgelost doordat de virions metastabiel
zijn. Metastabiliteit houdt in dat tijdens de biosynthese van de eiwitten energie wordt opgeslagen in
de vouwing van het eiwit en deze energie kan worden vrijgezet om bepaalde processen af te dwingen
op het moment dat dit nodig is.
Virus structuur
Traditionele virussen zijn erg klein: 10-400 nanometer. De meeste virussen zijn zo klein dat ze alleen
kunnen worden waargenomen met elektronenmicroscopie. Er zijn echter ook grote virussen, de
girussen, die voorkomen bij protozoa. Deze beschikken over een grote genetische complexiteit, soms
zelfs groter dan die van bacteriën, archaea en protozoa. Ze verschillen dus wel van de reguliere
virussen.
Technieken om virus structuren te onderzoeken:
• Elektronenmicroscopie
• Cryo-elektronen microscopie
• Tomografie
• X-ray kristallografie
1