Hoorcollege 2 – ontwikkelingspsychologie
13 februari 2019
5 soorten leren:
- Klassiek conditioneren
Dit gebeurt door een neutrale prikkel (stimulus) te koppelen aan een stimulus die leidt tot
een reflex.
Ongeconditioneerde (dat is er gewoon) stimulus (moet iets op gang brengen): melk
Ongeconditioneerde (dat is er gewoon) respons: zuigreflex
Neutrale stimulus (wordt toegevoegd): aaien over het hoofd
Geconditioneerde (wordt toegevoegd) respons: zuigreflex.
Voorbeeld: kind plast in bed en ouders proberen het te laten plassen voor het slapengaan,
maar het lukt niet. Ze bedenken een oplossing: telkens als hij gaat plassen, zetten ze een
muziekdoosje aan. Na een tijdje moet het kind al plassen als hij het muziekdoosje hoort
spelen.
- Operant conditioneren
Dit gaat ervan uit dat gedrag geleerd kan worden door beloningen en bestraffingen van
voorgaand gedrag. Door het kind te belonen bij goed gedrag wordt er gezorgd dat het gedrag
vaker voorkomt.
Voorbeeld:
- Imitatie:
Je ziet iets en doet het na.
Dit vermogen is aanwezig bij pasgeborenen, spiegelneuronen
Voorbeeld: vader steekt zijn tong uit en de baby probeert het na te doen.
- Statistisch leren:
Kinderen (al heel jong) ontdekken regelmatigheden/patronen in wat ze meemaken,
bijvoorbeeld de taalontwikkeling
Voorbeeld: klanken herkennen, weten welke klank volgt op een bepaalde klank.
- Habituatie:
Je ziet iets/je maakt iets mee. Aan het begin is het interessant, maar na een poosje is het niet
meer interessant. Basis voor een onderzoekstechniek
Voorbeeld: een nieuwe rammelaar is interessant, maar dan raakt het kind bekend met dit
speeltje en vindt hij/zij het niet meer interessant. Hij/zij raakt afgeleid. Dan krijgt het kind
een nieuw speeltje en gelijk is het kind weer geïnteresseerd.
Door subtiele verschillen aan te brengen in bijvoorbeeld twee afbeeldingen en dan te kijken
waar het kind het langst naar kijkt, kan je achterhalen wat het kind denkt. Het kijkt
bijvoorbeeld erg lang naar een.
Hoe lang duurt het voordat de baby gehabitueerd is? habituatiesnelheid
Verschillen in habituatiesnelheid hangen samen met cognitieve capaciteiten op latere
leeftijd.
Dynamisch systeemtheorie:
Je kunt een mens opvatten als een dynamisch systeem (in beweging en bestaat uit verschillende
componenten)
13 februari 2019
5 soorten leren:
- Klassiek conditioneren
Dit gebeurt door een neutrale prikkel (stimulus) te koppelen aan een stimulus die leidt tot
een reflex.
Ongeconditioneerde (dat is er gewoon) stimulus (moet iets op gang brengen): melk
Ongeconditioneerde (dat is er gewoon) respons: zuigreflex
Neutrale stimulus (wordt toegevoegd): aaien over het hoofd
Geconditioneerde (wordt toegevoegd) respons: zuigreflex.
Voorbeeld: kind plast in bed en ouders proberen het te laten plassen voor het slapengaan,
maar het lukt niet. Ze bedenken een oplossing: telkens als hij gaat plassen, zetten ze een
muziekdoosje aan. Na een tijdje moet het kind al plassen als hij het muziekdoosje hoort
spelen.
- Operant conditioneren
Dit gaat ervan uit dat gedrag geleerd kan worden door beloningen en bestraffingen van
voorgaand gedrag. Door het kind te belonen bij goed gedrag wordt er gezorgd dat het gedrag
vaker voorkomt.
Voorbeeld:
- Imitatie:
Je ziet iets en doet het na.
Dit vermogen is aanwezig bij pasgeborenen, spiegelneuronen
Voorbeeld: vader steekt zijn tong uit en de baby probeert het na te doen.
- Statistisch leren:
Kinderen (al heel jong) ontdekken regelmatigheden/patronen in wat ze meemaken,
bijvoorbeeld de taalontwikkeling
Voorbeeld: klanken herkennen, weten welke klank volgt op een bepaalde klank.
- Habituatie:
Je ziet iets/je maakt iets mee. Aan het begin is het interessant, maar na een poosje is het niet
meer interessant. Basis voor een onderzoekstechniek
Voorbeeld: een nieuwe rammelaar is interessant, maar dan raakt het kind bekend met dit
speeltje en vindt hij/zij het niet meer interessant. Hij/zij raakt afgeleid. Dan krijgt het kind
een nieuw speeltje en gelijk is het kind weer geïnteresseerd.
Door subtiele verschillen aan te brengen in bijvoorbeeld twee afbeeldingen en dan te kijken
waar het kind het langst naar kijkt, kan je achterhalen wat het kind denkt. Het kijkt
bijvoorbeeld erg lang naar een.
Hoe lang duurt het voordat de baby gehabitueerd is? habituatiesnelheid
Verschillen in habituatiesnelheid hangen samen met cognitieve capaciteiten op latere
leeftijd.
Dynamisch systeemtheorie:
Je kunt een mens opvatten als een dynamisch systeem (in beweging en bestaat uit verschillende
componenten)