Blok 1.1
Hoorcollege 1 van atomen tot macromoleculen
Leerdoelen
Beschrijven van de bergrippen:
Atoom:
Het allerkleinste deeltje van een stof, niet deelbaar (atmos)
Bestaat uit protonen (+), neutronen (x) en elektronen (-)
De protonen en de neutronen zitten in de kern, de elektronen bewegen eromheen in de
elektronenwolk. Sommige elektronen draaien heel dichtbij rond de atoomkern. Je kunt ze niet of
nauwelijks verwijderen. Andere elektronen staan verder weg en ‘voelen’ de positief geladen
atoomkern minder. Zij kunnen dus makkelijk ontsnappen.
Tussen de kern en de elektronenwolk/baan/schil bevindt zich een grote lege ruimte.
Atoom + atoom = molecuul.
Elk atoom is uniek, het aantal protonen, neutronen en elektronen verschilt per element.
Kern/nucleus: de kern is het massieven (dicht en een geheel) centrum van het atoom.
Aantal protonen (kern) Aantal protonen
= +
Aantal elektronen (wolk) Aantal neutronen
= =
atoomnummer massagetal
Molecuul:
Kleinste deeltje chemische stof met nog alle kenmerken/eigenschappen van de stof. Is opgebouwd
uit meerdere atomen.
Wanneer je een atoom weghaalt, verander je de chemische eigenschappen van een stof.
Ion:
Wanneer de protonen niet gelijk zijn aan de elektronen (-> geladen)
De elektrische lading wordt bepaald door protonen en elektronen, neutronen hebben hier geen
invloed. Elektronen kunnen het atoom verlaten, protonen zitten vast in de kern.
Massagetal:
De som van het aantal protonen en het aantal neutronen (elektronen hebben een verwaarloosbare
massa).
Wat zijn macromoleculen?
Een macromolecuul is een molecuul dat bestaat uit meerdere duizenden atomen, waardoor het een
relatief hoge moleculaire massa bezit.
Hoe zitten atomen vast in een atoom?
De kern van een atoom bestaat uit protonen (positieve lading) en neutronen (negatieve lading). Om
de atoomkern draaien elektronen rond (negatieve lading). Een binding (atoombinding) tussen 2
atomen ontstaat als een elektron van het ene atoom een paar vormt met een elektron van het
1|Pagina
,andere atoom er ontstaan moleculen. Hiervoor is atoombinding nodig. De binding tussen atomen
in een molecuul. Dit wordt ook wel covalentebinding genoemd. Covalentie: plek waar elektronen
worden ingedeeld.
Stof Afkortingen Bindingen
Waterstof H 1
Zuurstof O 2
Stikstof N 3
Koolstof C 4
Welke atomen komen voor in macromoleculen?
Een molecuul is meestal opgebouwd uit vele kleinere moleculen (monomeren) die aan elkaar
geschakeld worden. De meeste macromoleculen zijn dan ook polymeren. Bestaat dus uit een langere
keten. Voorbeelden van polymeren/polysachariden zijn:
Zetmeel en pectine. Zetmeel bestaat uit glucose eenheden. De atomen die voorkomen in
macromoleculen zijn dan bijvoorbeeld C = koolstof, O = zuurstof en H = waterstof.
Wat is de massa van een molecuul?
De som van het aantal protonen en het aantal neutronen. De massa van een molecuul in die stof.
Wat betekent structuur van koolhydraten?
De structuur opbouw van koolhydraten: Koolhydraten zijn opgebouwd uit verbindingen tussen
koolstof-, waterstof-, en zuurstofatomen. Dit wordt ook wel de structuur genoemd. De algemene
verhouding tussen waterstof-, en zuurstofatomen is 2:1. De structuurformule van glucose (een
koolhydraat) is C6H12O6.
Ken je eigenschappen/namen van koolhydraten?
Monosachariden: een soort
glucose met de eenheid Glc en de formule C6H12O6
Fructose met de eenheid Fru en de formule C6H12O6
Galactose met de eenheid Gal en de formule C6H12O6
Ribose met de eenheid Rib en de formule C5H10O5
Disachariden: aan elkaar gekoppeld
Sacharose/sucrose (normal sugar) met de eenheid Glc – Fru en de formule C12H22O11
Lactose met de eenheid Gal – Glc en de formule C12H22O11
Maltose met de eenheid Glc – Glc en de formule C12H22O11
Polysachariden:
Zetmeel (amylose en amylopectine): bestaande uit vertakte en onvertakte ketens
Pectine: bestaande uit vertakte ketens.
Namen van koolhydraten
- Glucose of druivensuiker
- Fructose of vruchtensuiker
- Maltose of moutsuiker
- Sacharose, sucrose of tafelsuiker
- Lactose of melksuiker
2|Pagina
, - Mannitol en xylitol: suiker-alcohol
Hoorcollege 2 Bio-organische chemie
*: alkanen, alkenen, alkanolen, alkaanzuren, aldehyden, ketonen, ethers, esters, aminen
De basis:
Met de algemene molecuulformule kun je de molecuulformules afleiden.
Isomeren: Stoffen die met elkaar overeenkomen doordat zij hetzelfde aantal en dezelfde soort
atomen bevatten. Zij verschillen wel door de wijze waarop die atomen onderling zijn verbonden of
geschikt. Isomeren zijn dus stoffen met dezelfde molecuulformule, maar een andere
structuurformule.
Organische chemie/koolstofchemie: De sub wetenschap van de chemie die zich bezighoudt met
3|Pagina