1. Wat is opvoeding?
1.1 Opvoeding en pedagogiek
Pedagogiek = de leer van de opvoeding, wetenschap van het begeleiden van kinderen tot aan de
volwassenheid
Opvoeding: een proces waarin een volwassenen wordt geholpen en begeleid tot aan het
punt waarop hij of zij de regie over het leven zelf kan overnemen
Doel van opvoeding is de volwassenheid > onafhankelijkheid t.o.v de opvoeders
Opvoeding staat altijd in dienst van de ontwikkeling van een individu en het leren aanpassen
aan de samenleving
Bij de opvoeding is er sprake van asymmetrische relatie tussen de persoon die opgevoed
wordt en de opvoeder
Zelfopvoeding: samenleving zijn voortdurend onderhevig aan verandering, en daarom zal
ieder lid zich steeds moeten blijven aanpassen
Richtingen pedagogiek
1. Klinische pedagogiek: onderzoek naar opvoedingsprocessen in het algemeen en sociale,
culturele en economische factoren die invloed hebben
2. Orthopedagogiek: onderzoek van de hulpverlening aan kinderen die van het gemiddelde
afwijken en de opvoedsituatie
3. Onderwijskunde: alle vormen van scholing en schoolsystemen
4. Sociale pedagogiek: sociale omstandigheden beoordeelt aan de hand van pedagogische
maatstaven
5. Wijsgerig-historische pedagogiek: opvoedingswetenschap in het algemeen, meer theoretisch
6. Transculturele pedagogiek: onderzoek naar opvoeding van kinderen die in een andere
cultuur wonen dan in het land van oorsprong
Co- evolutie: de opvoeding (als omgevingsfactor) neemt een deel over van de functie van de
baarmoeder > de hersenen zich mede vormen naar het opvoedingsklimaat
1.1.1 Autonomie
Persoonlijkheidsontwikkeling: kinderen worden begeleid tot het uitgroeien tot een uniek individu dat
van anderen te onderscheiden is
Er wordt rekening gehouden met de groeiende autonomie van het kind en het wordt ook
gestimuleerd door de opvoeders
Opvoeders onderscheiden zich
1. Conservatieve materialisten: behulpzaamheid belangrijk vinden, goede banen en inkomsten
2. Doeners: primaire deugden en goede manieren, kinderen dapper, trots en zelfstandig
3. Sociale idealisten: ontwikkelen van sociale eigenschappen
4. Onopvallende conservisten: eerlijkheid en bevordering van gezondheid
5. Gematigde hedonisten: levensvreugde, optimisme, humor, oog voor medemens
1.1.2 Geschiedenis
Huisarbeid, extended families: met inwonende grootouders
Onderwijs: geen schoollokalen, maar vertrek
Na de industriële revolutie:
nieuwe uitvindingen (dynamo) > onderwijs massaal klassikaal gegeven, klassen gemakkelijker
onder controle te houden als alle kinderen op hetzelfde moment met dezelfde stof bezig
waren.
Extended families verdwenen, gezinnen verbrokkeld > ouders in fabrieken werkten
Verzet tegen kinderarbeid
1874: Kinderwet van Van Houten: verbod kinderen tot 12 jaar tot arbeid
, 19e eeuw: opvoedingsvisie > materialistisch en kapitalistisch
Victoriaanse denken: opvoeding > autoritair, streng en dominant
Industrialisatie: sociale controle viel weg > ouders grote keuzevrijheid mbt opvoeding
Opvoedingsondersteuning: verzamelnaam voor interventies en activiteiten die als doel
hebben de opvoedingscompetentie van opvoeders te vergroten
1.1.3 Pedagogische programma’s
1. STEP – programma: rollenspellen, ondogmatisch opvoeden > geen gedragsvoorschriften voor het
handelen van de opvoeder als het kind bijv schreeuwt.
2. SESK – programma: hecht veel waarde aan de rechten van het kind, conflictsituaties in groepen
geanalyseerd en oplossingen gezocht door de theorie en ervaringen
3. Triple- P- programma: meer sturend, hoe opvoeders hun kinderen op een positieve wijze kunnen
begeleiden >
Het zorgen voor een veilige en stimuleren omgeving
Het creëren van een positieve leeromgeving
Het leren hoe ouders het beste op ongewenst gedrag kunnen reageren
Nature-nurture kwestie: is het karakter van het kind biologisch bepaald (nature) of door opvoeding
(nurture)
Het aantal kinderen ook een rol, nature relativeert het perfecte nurture
Opvoeding en ervaringen die het kind opdoet hebben effect op het brein > het brein heeft
effect op de mogelijkheden en beperkingen van het kind om ervaringen op te doen
Visies:
Langeveld
Opvoedingswetenschap als een analyse van een beschrijving van de
opvoedingsverschijnselen
Fenomenologische benadering: richt op gebeurtenissen zoals deze worden beleefd
Subjectieve waarneming van de opvoeder staat centraal, niet de fysische, objectieve
In de voorschoolse periode is er geen opvoeding, alleen gewenning of voorbereidende
opvoeding
Opvoeding is het bewust uitoefenen van invloeden die het kind helpen mondig te worden
Opvoeding ontstaat uit de omgang met de opvoedeling:
Het kind kan in deze omgang mensenkennis en kennis van sociale verhoudingen
opdoen:‘pedagogisch gepreformeerd veld’ later omgaan in de daadwerkelijke opvoeding
Opvoeder blijkt gezag een noodzakelijke voorwaarde voor de opvoeding
Doordat de opvoeder gezag uitoefent, erkent het kind dat het van deze persoon zaken
kan/moet leren
Brezinka
Accent op interindividuele verschillen in niveau, capaciteit, sociale ontwikkeling en moraliteit
Opvoeding stimuleert de verschillen in zelfstandigheid en mondigheid
Andragogiek: het helpen en begeleiden van volwassenen meet als doel hun welzijnssituatie
te verbeteren
Alles draait om de intentie van de opvoeder, opvoedeling is van ondergeschikt belang
Metatheorie: bestaat uit de opvoedingswetenschap waarbij hypothesen worden getoetst,
naast de filosofie van de opvoeding waarbij gereflecteerd dient te worden over de fundering
van normen en de praktische pedagogiek
Litt
, Fenomenologische pedagoog > beschrijft alles wat waarneembaar is
Onderzoeken of in een opvoedingssituatie meer sturend of kindvolgend gehandeld wordt
Fuhren of Wachsenlassen:
Wachsenlassen: waarschuwen voor het gevaar dat kan schuilen in het uitoefenen van macht
Fuhren: ideaal menstype vormen > strak leiding geven
Als een pool wegvalt van de Fuhren of Wachsenlassen is ook de opvoedingsrelatie
verdwenen
Montessori
In de gevoelige periode moet de opvoedeling zaken aangeraakt krijgen waarmee hij zich kan
ontwikkelen
Kindvolgende theorie en responsieve theorie: opvoeder beantwoordt aan de behoefte van
de opvoedeling
Observeren en gehoor geven aan de behoefte is de primaire taak van de opvoeder
In de puberteit komt de jongere steeds meer naast de opvoeder relatie wordt
symmetrischer
Herbart
Grondlegger van de pedagogiek als academische discipline
Bildsamkeit: het aanspreekbaar zijn voor veranderingen en de mogelijkheid hebben om zelf
te kunnen veranderen
Opvoeden is inleiden in een zinvolle wereld die de opvoedeling aanspreekt en dat hij of zij
zich opgeroepen voelt tot zelfverwenlijking
Rousseau
Volwassene wil de onvolwassenen helpen om zichzelf te leren bepalen, zodat dat deze zijn
objectieve machten voor inzet
Perinatale factoren kunnen worden geëlimineerd door de werkzaamheid van de sociale en
familiale factoren
Imelman
Pedagogische atmosfeer, gevoel van vertrouwen en geborgenheid zorgen ervoor dat de
opvoeding slaagt
Persoonlijkheidsleer onderzoekt welke persoonlijke eigenschappen van belang zijn om
een goede opvoeder te kunnen zijn
Appellerend-normatieve pedagogiek: dicteert niet wat er gedaan moet worden, maar geeft
alleen maatstaven
De samenleving heeft de plicht de ‘leerruimte’ vorm en inhoud te geven
Van IJzendoorn
Bepleit reflectie over waarden en normen die verband houden met opvoedingsdoelen en
aanvaardbare opvoedingsmiddelen
Veldexperimenten hechtingsgedrag
Meirieu
Bieden van weerstand, aangaan van de strijd
Botsing van waarden met de opvoedeling
Opvoedeling kan slechts zichzelf worden als hij niet vlucht uit deze weerstand
Juul
Ouders moeten vooral voor zichzelf duidelijk bepalen wat de grenzen zijn
, Kinderen leren voornamelijk door nabootsing, straffen en belonen niet nodig
Vergelijken met Langeveld verschil: opvoeding niet alleen de voorschoolse periode
bestrijkt
Dewey
Bevorderen van de zelfstandigheid en de alertheid van de opvoedelingen
Pragmatisme: stroming waarbij de mens primair wordt beschouwd als een denkend of
kennend wezen
Opvoedingsproces: balans vinden tussen de individuele en sociale aspecten
Pestalozzi
Creatieve samenspel tussen ontwikkeling, socialisering en zelfvorming, georganiseerd door
de opvoeder
Ontwikkeling van de emoties
Medeleven en affectie zijn belangrijk voor de opvoeding
In zijn tijd te radicaal
1.1.5 Biopsychologische bijdragen aan de pedagogiek
Biopsychologen benadrukken de mogelijkheden van de opvoeder om de aanleg van de
opvoeding optimaal te ontwikkelen
Onderscheid gemaakt tussen aangeboren invloed van de genen en de invloed van onze
omgeving op ons gedrag (nature-nurture)
Onderscheid tussen genotype (aangeboren erfelijke aanleg) en fenotype (uitkomst van
individuele, cognitieve etc ontwikkeling)
Range of reaction: alle mogelijke uitkomsten van fenotype en genotype
Naarmate de range of reaction groter is, is de opvoedingscontext van meer belang
Constructivistisch model van Piaget vormt een tussenweg
Nature en nurture construeren elkaar, beinvloeden elkaar in een dynamische wisselwerking
Nature wordt geconstrueerd door individuele ontwikkelingen
Empiristische opvatting: onze ervaring vormt ons brein omgeving beinvloedt ons brein
Brein moet veranderen, bijgesteld worden wisselwerking tussen nature en nurture
Ervaring kan letterlijk haar sporen in het brein zetten (bij misbruik hebben mensen grijze
massa in het brein)
Zelfbewustzijn is een soort commentator achteraf
We handelen eerst op grond van onze breingeschiedenis (die het gevolg is van onze
ervaringen)
Verkeerde keuzes zijn het gevolg van te weinig relevante breinervaring waardoor de
gedraging of keuze niet tot de beschikking was
1.2 Het primaire, secundaire en tertiaire opvoedingsmilieu
1. Primaire opvoedingsmilieu: de ouders van het kind
2. Secundaire opvoedingsmilieu: de opvoeding buitenshuis door professionals > school,
kinderdagverblijf, muziekschool etc.
3. Tertiare opvoedingsmilieu: de straat, de buurt en de cultuur waarin het kind opgroeit
Al deze milieus hebben effect op de ontwikkeling van de autonomie van het kind en de aanpassing
aan het milieu
1.2.1 Het primaire opvoedingsmilieu
Kerngezin: samenwonende groep mensen die tenminste 2 generaties omvat en waarin afhankelijke
kinderen aanwezig zijn > gezamenlijke huishouding