Hoofdstuk 6: De stad als woonplaats
6.1 Inleiding
Wereldwijd trekken elke dag opnieuw grote aantallen mensen naar steden, op zoek naar
verbetering, geluk of avontuur
- steden bieden kansen op werk, mogelijkheden om een bedrijfje op te zetten, naar
school of universiteit te gaan of betere medische zorg
- de stad als woonplaats wordt eerder gezien als tijdelijke verblijfplaats
- gezinnen en mensen die een huis met een tuin verlangen trekken vaak weg
uit de stad (suburbanisatie)
- onderdeel van de wisselwerking tussen stedelijk en suburbaan wonen
is de ontwikkeling van het idee van ‘thuis’ versus ‘huis’
- dergelijke opvattingen zijn sterk afhankelijk van historische en
culturele patronen
- in Nederland lijkt een woning als thuis meer aan te sluiten bij
een suburbane, op het gezinsleven georiënteerde levenswijze;
de woning als huis. als uitvalsbasis, past daartegen meer in
het stedelijk patroon
Visies op stedelijk wonen krijgen pas impact als ze in een institutionele bedding vallen, een
bedding die voortdurend verandert door een woelige stroom van tegenstellingen en
conflicten
- woningen die eind jaren zestig in verval raakte worden nu weer aantrekkelijk
gemaakt, soms zo aantrekkelijk dat vele de woningen niet meer kunnen betalen
(gentrificatie)
- andere steden groeiden zo hard dat de hoeveelheid mensen niet opgevangen kon
worden waardoor zij in sloppenwijken terecht kwamen
6.2 Woonplaats van de burgerij
In de Nederlandse Gouden eeuw nam de welvaart toe en ontwikkelden de steden zich tot
centra van werk, handel en bedrijvigheid
- in de steden ontstonden nieuwe uitbreidingen die louter bestemd waren om te
wonen, zij het voor een beperkte groep: de gegoede burgerij
- bijvoorbeeld: de Amsterdamse grachtengordel; aan de nieuwe grachten
bouwden kooplieden in de eerste fase (1625-1685) huizen waarin wonen en
werken met elkaar werden gecombineerd
- na 1685 kwamen er regels (‘keuren’) waardoor in het tweede deel van
de grachtengordel alleen nog huizen met een woonbestemming
mochten verrijzen
Pas in de achttiende en negentiende eeuw kwam de stad als woonplaats van de burgerij op
grotere schaal tot ontwikkeling
, - naast (luxe)woningen werden er ook parken en publieke gebouwen aangelegd
- de realisatie was in de handen van de bouwondernemers, de rol van de
gemeentelijke overheid beperkte zich tot de aanleg van lanen en straten; voor
de woningen golden maar weinig voorschriften
- stadsuitbreiding ging gepaard met een opmerkelijke segregatie van burgerwoningen
en arbeiderswijken, dit in tegenstelling tot de overbevolkte binnensteden waar de
krotten en sloppen normaliteit om de hoek van burgerwoningen lag
- aan de eind van deze periode (1870) had Nederland 3,5 miljoen inwoners,
van wie een kwart woonden in het gebied dat wij nu aanduiden als de
Randstad
De Nederlandse stadsuitbreiding in deze tijd verschilden van die in andere Europese steden,
zoals Londen en Parijs, niet alleen op het punt van woningen, woonstraten en wijken maar
ook op het type openbare ruimte
- de boulevards en de parken, theaters, restaurants en grand cafés hoorden bij de
stad als woonplaats van de burgerij
- de Londense woningen van de gegoede burgerij was een rijtjeshuis dat lag
aan karakteristieke squares en regents
- deze collectieve ruimten, alleen toegankelijk voor de omwonende
eigenaar-bewoners, vormen een overgang van de openbaarheid van
de hectische stad naar de beslotenheid van de woning
- Parijs had geen rijtjeshuizen, maar appartementengebouwen die gelegen
waren aan de stedelijke openbare ruimte, de nieuwe boulevards
- vaak woonden daar verschillende lagen van de bevolking, met de
rijksten op de eerste verdieping en de arme kunstenaars onder het
spreekwoordelijk lekkende dak
6.3 Poel des verderfs
De gemiddelde Nederlandse stedeling aan het eind van de negentiede eeuw woonde onder
erbarmelijke omstandigheden; de stad van de krotten en sloppen, van ziekte, en van