Hoofdstuk 11: Duurzaamheid en de stad
11.1 Inleiding
De bekendste definitie van duurzame ontwikkeling is die van de Commissie van de
Verenigde Naties uit 1987; het wordt hier gedefinieerd als een ontwikkeling die tegemoet
komt aan de behoeften van huidige generaties (hier en elders) zonder de mogelijkheden van
toekomstige generaties in gevaar te brengen om in hun behoefte te voorzien
- alle concepten over de duurzame stad of duurzame verstedelijking hebben direct of
indirect te maken met een gezonde relatie tussen economische vooruitgang, kwaliteit
van het leven (human wellbeing) en ecologische draagkracht, hier en elders en voor
nu en later
- ook wel aangeduid met people, planet, profit (PPP)
- soms staat de laatste P ook wel voor prosperity, met andere woorden:
een bredere term voor welvaart in plaats van winst
11.2 Een fysiek perspectief op de duurzame stad
Een ‘klassieke’ visie op de duurzame stad is het concept van de tuinsteden; Ebenezer
Howard beschreef het al in 1898 in zijn boek Tomorrow: a peaceful path to real reform
- Howards utopische stad combineert de voordelen van de stad met de kwaliteiten van
het platteland: gebieden met relatief kleine, compacte steden, volop voorzieningen
en schone lucht, maar zonder sloppenwijken
- de tuinstad moest zelfvoorzienend en autonoom worden, als ware het een
volledige samenleving op lokaal niveau
- deze visie heeft de basis gelegd voor het bouwen van tuindorpen
Het indelen in verschillende ruimtelijke schaalniveaus helpt stadsplanners om wijken en
, buurten te begrijpen, om de fysieke structuur van de stad te kunnen ‘lezen’
- een concept dat in de Nederlandse planologie een dominante plaats inneemt, is de
lagenbenadering (De Hoog, 1998)
- hierbij worden drie lagen onderscheiden:
1. de groenblauwe onderste laag die de bodem, de ondergrond
en het watersysteem representeert; deze laag wordt
gekenmerkt door een weinig dynamische ontwikkeling in de
tijd, met een tijdspanne van zo’n honderd jaar
2. de netwerklaag in het midden bestaande uit infrastructuur,
zoals wegen, ov-verbindingen, kanalen, maar ook kabels en
leidingen; deze laag is sturend voor de ruimtelijke ordening en
heeft een tijdshorizon van twintig tot vijftig jaar
3. de occupatielaag ligt bovenop; deze laag heeft een beperkte
investeringshorizon, is het meest dynamisch en wordt vooral
gebruikt voor vastgoed en locatieontwikkeling, zoals de aanleg
van woonwijken en bedrijfsterreinen
Bij de ontwikkeling en inrichting van de occupatielaag dienen stedenbouwers en
projectontwikkelaars rekening te houden met de laagdynamische ondergrond
- alle drie de lagen moeten met elkaar in balans zijn
- de lagenbenadering sluit ook aan op de huidige eeuw: de ruimtelijke
dimensies van waterbeheer, toegenomen mobiliteit en de verstedelijking van
‘groen’ (natuurlijke processen en landschappen)
- met nadruk op klimaatverandering heeft de ondergrond laag extra
aandacht nodig (wateroverlast bij extreme neerslag, het hitte-
eilandeffect door de opwarming van de stad als gevolg van
verstening)
11.3 Een stromenperspectief op de duurzame stad