Samenvatting taalonderwijs ontwerpen 6.1, 6.2 en 6.4
6.1 Het schrijfproces
Bij het spreken gebruiken we als code de spreektaal: bij stellen is dat schrijftaal. Spreektaal
is vluchtig, de schrijftaal ligt vast op papier. In de spreektaal gebruiken we losse woorden,
onafgemaakte zinnen, veel aarzelingen en pauzes die we opvullen met ‘eh’ en ‘weet je wel’.
We moeten variëren in woordkeus, keurige grammaticale zinnen schrijven en geen
spelfouten maken. In de spreektaal mag je fouten maken maar in de schrijftaal niet. Bij het
schrijven van teksten heb je verschillende strategieën. Een strategie is een bepaalde aanpak
die iemand hanteert om zijn doel te bereiken. In dit geval is dat het produceren van een
tekst.
6.1.2 Schrijfstrategieën
Een goede schrijver is steeds bezig met het doorlezen van wat hij zelf geschreven heeft. Hij
neemt een beetje afstand van zijn werk en reflecteert op wat hij geschreven heeft (spelling
controleren, opzoek gaan naar pakkende formulering en proberen iets duidelijker uit te
leggen).
Imiterend schrijven: zinnen uit een methode voor aanvankelijk lezen imiteren
Kinderen die net hebben leren lezen en schrijven passen nog niet direct de strategie van het
vertellend schrijven toe. De teksten die kinderen produceren hebben vaak een figuur uit een
leesboekje als hoofdpersoon. Ook is er weinig samenhang tussen de zinnen. Het is geen
verhaal maar meer een opsomming van verschillende zinnen.
Denkend schrijven: de schrijver denkt na over de organisatie van zijn tekst , de wijze van
formuleren en andere problemen. Dit wordt vooral toegepast bij een ingewikkeld onderwerp,
waarbij hij niet meer af kan gaan van zijn eigen ervaring. De Amerikanen Flower & Hayes
zien schrijven als het oplossen van problemen en leggen de nadruk op de cognitieve
processen die bij het schrijven een rol spelen. De denkprocessen vinden plaats in het
werkgeheugen of het kortetermijngeheugen. Een schrijver maakt ook gebruik van het
langetermijngeheugen: daar ligt de kennis van een onderwerp opgeslagen en de kennis van
het publiek en de kennis van de manier waarop teksten in elkaar zitten. Het uitgangspunt
hierbij is ook weer de schrijfopdracht. De schrijver analyseert de opdracht en vertaalt die in
één of meer problemen. Hij denkt na over de doelstelling en gaat na wat het publiek al weet.
Goede schrijvers analyseren continu het probleem. Typerend voor deze strategie is dat de
schrijver niet meteen begint maar eerst gaat nadenken. Denkend schrijven past meer bij
ervaren schrijvers.
Vertellend schrijven: praten op papier. Het is een strategie waarbij je weergeeft wat je al
weet over een onderwerp en geen proces van wikken en wegen, zorgvuldig plannen, zoeken
naar nieuwe informatie of het nauwkeurig vaststellen van schrijfdoelstellingen. Schrijvers
beginnen vrijwel onmiddellijk nadat de opdracht is gegeven, met schrijven. Ze schrijven
meteen een definitieve versie van een tekst. Verbeteringen hebben alleen betrekking op
woordkeuze, spelling en interpunctie en niet op de structuur van een tekst. De structuur
wordt meestal bepaald door de loop van gebeurtenissen. Bij vertellend schrijven sluit je aan
bij je eigen kennis en je ervaring in het mondeling verwoorden.
6.1.2 Stelvaardigheden
Binnen strategieën vallen vaardigheden. Een belangrijke vaardigheid bij het schrijven is
bijvoorbeeld motorische schrijfvaardigheid. Dit is noodzakelijk voor het stellen.
, Vaardigheden binnen schrijfproces:
1. Verkennen van de schrijftaak
Aanleiding om te schrijven herkennen. Een schrijver zal de opdracht analyseren, nagaan wat
er van hem verwacht wordt, proberen zijn doel helder te krijgen of overwegen welke
tekstsoort hij zal kiezen. Het gaat vooral om het in beeld krijgen van alle aspecten van de
communicatieve situatie die het schrijven van de tekst bepalen en waar de schrijver rekening
mee moet houden. Een schrijver gaat na wat er van hem verwacht wordt, wat de condities
zijn waaronder hij schrijft , welke tekstsoort hij zal kiezen, voor wie de tekst bestemd is en
wat de doelstelling van de tekst zal zijn.
Tekstdoelen:
- Informeren (informatie geven over onderwerp)
- Overtuigen (overtuigen tot een mening)
- Amuseren (emotie laten beleven)
- Instrueren (aansporen tot verrichten van een handeling)
2. Informatie verzamelen
Een tekst bevat altijd informatie die de schrijver over wil brengen. De schrijver gaat altijd
opzoek naar gegevens over zijn onderwerp. Tijdens het schrijven kan iemand ook op nieuwe
ideeën komen. Informatie verzamelen kan door bijvoorbeeld; brainstormen, associëren maar
ook door gericht vragen stellen over een onderwerp.
3. Informatie selecteren
Schrijven is altijd kiezen. Een schrijver schrijft alleen over wat noodzakelijk is. Het
verzamelen en selecteren van informatie is niet altijd goed te onderscheiden. Vaak gaan
deze dingen samen.
4. Structureren van de tekst
Dit kan voorafgaan aan het uitschrijven van de tekst, maar het kan ook tijdens of na het
schrijven plaatsvinden. Je structureert vaak door in een bestaande tekst stukken te
verschuiven of delen anders te groeperen. Soms wordt de informatie aangevuld.
5. Verwoorden van de inhoud
Dit is het belangrijkste aspect van stellen. De schrijver moet ideeën, ervaringen,
gewaarwordingen, emoties en beelden omzetten in woorden. Dit kan op veel manieren. Of
een schrijver iets goed onder woorden kan brengen hangt af van de woordenschat die hij tot
zijn beschikking heeft en zijn ervaring.
6. Toepassen van taalregels
Bij taalregels gaat het vooral om regels voor de spelling, zinsbouw en het taalkundig correct
gebruiken van woorden. Bij stellen moet je goede grammaticale zinnen schrijven en je
woorden zorgvuldig kiezen.
7. Stileren
Dit vindt ook tegelijkertijd plaats met het verwoorden van de inhoud. Bij stileren moet je
denken aan schrijven in een bepaalde stijl. Ook hier gaat het om woordkeus en zinsbouw
maar de nadruk ligt niet op grammatica maar op originaliteit, begrijpelijkheid, duidelijkheid of
levendigheid. Voor basisschoolkinderen is dit erg lastig. Je moet goed kunnen reflecteren op
je taalgebruik.
6.1 Het schrijfproces
Bij het spreken gebruiken we als code de spreektaal: bij stellen is dat schrijftaal. Spreektaal
is vluchtig, de schrijftaal ligt vast op papier. In de spreektaal gebruiken we losse woorden,
onafgemaakte zinnen, veel aarzelingen en pauzes die we opvullen met ‘eh’ en ‘weet je wel’.
We moeten variëren in woordkeus, keurige grammaticale zinnen schrijven en geen
spelfouten maken. In de spreektaal mag je fouten maken maar in de schrijftaal niet. Bij het
schrijven van teksten heb je verschillende strategieën. Een strategie is een bepaalde aanpak
die iemand hanteert om zijn doel te bereiken. In dit geval is dat het produceren van een
tekst.
6.1.2 Schrijfstrategieën
Een goede schrijver is steeds bezig met het doorlezen van wat hij zelf geschreven heeft. Hij
neemt een beetje afstand van zijn werk en reflecteert op wat hij geschreven heeft (spelling
controleren, opzoek gaan naar pakkende formulering en proberen iets duidelijker uit te
leggen).
Imiterend schrijven: zinnen uit een methode voor aanvankelijk lezen imiteren
Kinderen die net hebben leren lezen en schrijven passen nog niet direct de strategie van het
vertellend schrijven toe. De teksten die kinderen produceren hebben vaak een figuur uit een
leesboekje als hoofdpersoon. Ook is er weinig samenhang tussen de zinnen. Het is geen
verhaal maar meer een opsomming van verschillende zinnen.
Denkend schrijven: de schrijver denkt na over de organisatie van zijn tekst , de wijze van
formuleren en andere problemen. Dit wordt vooral toegepast bij een ingewikkeld onderwerp,
waarbij hij niet meer af kan gaan van zijn eigen ervaring. De Amerikanen Flower & Hayes
zien schrijven als het oplossen van problemen en leggen de nadruk op de cognitieve
processen die bij het schrijven een rol spelen. De denkprocessen vinden plaats in het
werkgeheugen of het kortetermijngeheugen. Een schrijver maakt ook gebruik van het
langetermijngeheugen: daar ligt de kennis van een onderwerp opgeslagen en de kennis van
het publiek en de kennis van de manier waarop teksten in elkaar zitten. Het uitgangspunt
hierbij is ook weer de schrijfopdracht. De schrijver analyseert de opdracht en vertaalt die in
één of meer problemen. Hij denkt na over de doelstelling en gaat na wat het publiek al weet.
Goede schrijvers analyseren continu het probleem. Typerend voor deze strategie is dat de
schrijver niet meteen begint maar eerst gaat nadenken. Denkend schrijven past meer bij
ervaren schrijvers.
Vertellend schrijven: praten op papier. Het is een strategie waarbij je weergeeft wat je al
weet over een onderwerp en geen proces van wikken en wegen, zorgvuldig plannen, zoeken
naar nieuwe informatie of het nauwkeurig vaststellen van schrijfdoelstellingen. Schrijvers
beginnen vrijwel onmiddellijk nadat de opdracht is gegeven, met schrijven. Ze schrijven
meteen een definitieve versie van een tekst. Verbeteringen hebben alleen betrekking op
woordkeuze, spelling en interpunctie en niet op de structuur van een tekst. De structuur
wordt meestal bepaald door de loop van gebeurtenissen. Bij vertellend schrijven sluit je aan
bij je eigen kennis en je ervaring in het mondeling verwoorden.
6.1.2 Stelvaardigheden
Binnen strategieën vallen vaardigheden. Een belangrijke vaardigheid bij het schrijven is
bijvoorbeeld motorische schrijfvaardigheid. Dit is noodzakelijk voor het stellen.
, Vaardigheden binnen schrijfproces:
1. Verkennen van de schrijftaak
Aanleiding om te schrijven herkennen. Een schrijver zal de opdracht analyseren, nagaan wat
er van hem verwacht wordt, proberen zijn doel helder te krijgen of overwegen welke
tekstsoort hij zal kiezen. Het gaat vooral om het in beeld krijgen van alle aspecten van de
communicatieve situatie die het schrijven van de tekst bepalen en waar de schrijver rekening
mee moet houden. Een schrijver gaat na wat er van hem verwacht wordt, wat de condities
zijn waaronder hij schrijft , welke tekstsoort hij zal kiezen, voor wie de tekst bestemd is en
wat de doelstelling van de tekst zal zijn.
Tekstdoelen:
- Informeren (informatie geven over onderwerp)
- Overtuigen (overtuigen tot een mening)
- Amuseren (emotie laten beleven)
- Instrueren (aansporen tot verrichten van een handeling)
2. Informatie verzamelen
Een tekst bevat altijd informatie die de schrijver over wil brengen. De schrijver gaat altijd
opzoek naar gegevens over zijn onderwerp. Tijdens het schrijven kan iemand ook op nieuwe
ideeën komen. Informatie verzamelen kan door bijvoorbeeld; brainstormen, associëren maar
ook door gericht vragen stellen over een onderwerp.
3. Informatie selecteren
Schrijven is altijd kiezen. Een schrijver schrijft alleen over wat noodzakelijk is. Het
verzamelen en selecteren van informatie is niet altijd goed te onderscheiden. Vaak gaan
deze dingen samen.
4. Structureren van de tekst
Dit kan voorafgaan aan het uitschrijven van de tekst, maar het kan ook tijdens of na het
schrijven plaatsvinden. Je structureert vaak door in een bestaande tekst stukken te
verschuiven of delen anders te groeperen. Soms wordt de informatie aangevuld.
5. Verwoorden van de inhoud
Dit is het belangrijkste aspect van stellen. De schrijver moet ideeën, ervaringen,
gewaarwordingen, emoties en beelden omzetten in woorden. Dit kan op veel manieren. Of
een schrijver iets goed onder woorden kan brengen hangt af van de woordenschat die hij tot
zijn beschikking heeft en zijn ervaring.
6. Toepassen van taalregels
Bij taalregels gaat het vooral om regels voor de spelling, zinsbouw en het taalkundig correct
gebruiken van woorden. Bij stellen moet je goede grammaticale zinnen schrijven en je
woorden zorgvuldig kiezen.
7. Stileren
Dit vindt ook tegelijkertijd plaats met het verwoorden van de inhoud. Bij stileren moet je
denken aan schrijven in een bepaalde stijl. Ook hier gaat het om woordkeus en zinsbouw
maar de nadruk ligt niet op grammatica maar op originaliteit, begrijpelijkheid, duidelijkheid of
levendigheid. Voor basisschoolkinderen is dit erg lastig. Je moet goed kunnen reflecteren op
je taalgebruik.