Samenvatting taalonderwijs ontwerpen 3.1, 3.2 en 3.3
Mondelinge taalvaardigheid
3.1 Het proces van spreken en luisteren
Dagelijks taalverkeer: automatisch
Presentatie oid: bewust nadenken (bepaalde strategieën die je inzet)
3.1.1 Spreek- en luisterstrategieën
De strategie die een spreker of luisteraar kiest, komt tot uiting in:
De inhoud van de les (bewust zaken weglaten om te overtuigen)
De gespreksvorm (dialoog onderbreken door lange monologen of lange pauzes om
een bepaald effect te bereiken)
De presentatie (in stoel hangen of op puntje van je stoel zitten)
Het taalgebruik (joviale/formele taal)
De feedback (nee schudden bij feedback of geïnteresseerd luisteren)
De beoordeling (hoe reageerden de toehoorders, knikkebollen of geïnteresseerd)
*Een spreekstrategie wordt meestal gerelateerd aan de doelstelling van de spreker
(overtuigen, amuseren, informeren etc.):
Doel: spreekstrategie uitgedrukt in taalhandelingen
Informeren: uitleggen, vertellen, aanwijzen, voordoen
Gevoelens losmaken: ervaring vertellen, veel gebaren, eigen gevoel beschrijven
Overtuigen: argumenten voor geven, tegenargumenten bestrijden, gevolgen
handelen laten zien
Aanzetten tot actie: actie beschrijven, rollen beschrijven, positief resultaat
benadrukken
Amuseren: verzonnen werkelijkheid beschrijven, personages laten spreken en
denken, humor inzetten
Relatie bevestigen: waardering uitspreken, instemmen, doorvragen
*Luisterstrategieën:
Begrijpend luisteren (proberen te volgen wat de spreker te vertellen heeft, begrijpen
van de informatie – boodschap van de spreker proberen te reconstrueren)
Kritisch luisteren (proberen om tijdens het luisteren een mening te vormen,
beoordelen of het verhaal van de spreker juist is, volledig of juist misleidend)
Selecterend luisteren (geïnteresseerd in bepaalde aspecten van het verhaal)
*Mensen die een bepaalde spreek- of luisterstrategie hanteren zijn hier niet altijd bewust van
3.1.2 Vaardigheden door spreken en luisteren
Spreek- en luistervaardigheden:
Spreekvaardigheden Luistervaardigheden
Inhoud verwoorden Inhoud Inhoud begrijpen
Een gespreksvorm hanteren Gespreksvorm Omgaan met de gekozen
vorm
Presentatietechnieken Presentatie Presentatietechnieken
hanteren doorzien
Een bepaald taalgebruik Taalgebruik Het taalgebruik doorzien
hanteren
Reactie geven Feedback Reactie geven of
interpreteren
, Terugkoppelen met het Beoordelen Terugkoppelen met het
spreekdoel luisterdoel
Inhoud verwoorden/begrijpen:
Het doorgeven van de inhoud is de kern van veel communicatie. Het is erg belangrijk dat de
spreker de inhoud duidelijk overbrengt en dat de luisteraar de inhoud goed begrijpt. Deze
vaardigheden zijn moeilijk (ook bij stellen en begrijpend lezen).
*Een spreker moet:
- De juiste woorden kiezen
- Een duidelijke lijn in zijn verhaal hebben
- Zich houden aan grammaticale regels etc.
*Een luisteraar moet:
- Woorden interpreteren
- De lijn van het verhaal vasthouden
- Grammaticale regels begrijpen etc.
*In het onderwijs wordt er weinig aandacht aan besteed omdat het kinderen erg makkelijk afgaat om
dit toe te passen, omdat ze het voortdurend doen in hun dagelijkse mondelinge taalverkeer
Een spreker en luisteraar kunnen beide vragen stellen waardoor de rol van spreker en
luisteraar wordt afgewisseld.
Een gespreksvorm hanteren:
Voorbeelden gespreksvorm: telefoongesprek, discussie aan de koffietafel, mondelinge instructie.
Drie grondvormen in de mondelinge communicatie:
- Monoloog – deelnummers vervullen alleen de rol van spreker en luisteraar
- Dialoog (diepte-interview, informatief gesprek, functioneringsgesprek, slecht nieuws
gesprek) – twee deelnemers hebben omstebeurt een rol van spreker en luisteraar
- Polyloog – groepsgesprek met meer dan twee deelnemers die omstebeurt spreker en
luisteraar zijn
Voorbeelden gespreksregels Taal Actief: beurtwisselingen, de ander uit laten praten, de mening van
de ander weergeven, niet roepen, zeggen waarom je iets vindt, reageren op wat de ander zegt, elkaar
aankijken tijdens een gesprek, bij het onderwerp blijven
Presentatietechnieken hanteren of doorzien
Een competente spreker is zich bewust van zijn manier van presenteren en kan zo
presenteren dat zijn tekst goed overkomt. De spreker moet letten op non-verbale aspecten
(stemgebruik, intonatie, oogcontact, kleding, houding, gebaren, tempo etc.). Niet alleen
woorden vormen de inhoud van de communicatie maar ook de manier waarop je iets zegt.
Aspecten die een rol kunnen spelen in de presentatie:
- Ruimte – inrichting van een ruimte en de afstand tussen de spreker en luisteraar
- Beweging – ontspannen zijn, vrij zijn in de ruimte, dwangmatig heen en weer lopen
- Gebarentaal – handen en voeten bewegen om de communicatie te ondersteunen
- Mimiek – gezichtsuitdrukking zegt veel + oogcontact
- Stemgebruik – de klank van een stem geeft de luisteraar info over de bedoeling
- Uiterlijk – kleding speelt een grote rol over de gespreksdeelnemers (maatpak bv.)
Spreekstijl hanteren of doorzien
Spreken: goed verwoorden van de inhoud, luisteren: inhoud begrijpen. Specifiek taalgebruik
wordt een register genoemd. Dat register gebruik je alleen of vooral in die situatie en bij die
mensen. Soms moet een spreker een bepaald register gebruiken om aan te sluiten bij de
luisteraars. Een goede woordenschat is voor een kind erg belangrijk om te weten wat een
spreker precies bedoelt met een uitdrukking of opmerking.
Mondelinge taalvaardigheid
3.1 Het proces van spreken en luisteren
Dagelijks taalverkeer: automatisch
Presentatie oid: bewust nadenken (bepaalde strategieën die je inzet)
3.1.1 Spreek- en luisterstrategieën
De strategie die een spreker of luisteraar kiest, komt tot uiting in:
De inhoud van de les (bewust zaken weglaten om te overtuigen)
De gespreksvorm (dialoog onderbreken door lange monologen of lange pauzes om
een bepaald effect te bereiken)
De presentatie (in stoel hangen of op puntje van je stoel zitten)
Het taalgebruik (joviale/formele taal)
De feedback (nee schudden bij feedback of geïnteresseerd luisteren)
De beoordeling (hoe reageerden de toehoorders, knikkebollen of geïnteresseerd)
*Een spreekstrategie wordt meestal gerelateerd aan de doelstelling van de spreker
(overtuigen, amuseren, informeren etc.):
Doel: spreekstrategie uitgedrukt in taalhandelingen
Informeren: uitleggen, vertellen, aanwijzen, voordoen
Gevoelens losmaken: ervaring vertellen, veel gebaren, eigen gevoel beschrijven
Overtuigen: argumenten voor geven, tegenargumenten bestrijden, gevolgen
handelen laten zien
Aanzetten tot actie: actie beschrijven, rollen beschrijven, positief resultaat
benadrukken
Amuseren: verzonnen werkelijkheid beschrijven, personages laten spreken en
denken, humor inzetten
Relatie bevestigen: waardering uitspreken, instemmen, doorvragen
*Luisterstrategieën:
Begrijpend luisteren (proberen te volgen wat de spreker te vertellen heeft, begrijpen
van de informatie – boodschap van de spreker proberen te reconstrueren)
Kritisch luisteren (proberen om tijdens het luisteren een mening te vormen,
beoordelen of het verhaal van de spreker juist is, volledig of juist misleidend)
Selecterend luisteren (geïnteresseerd in bepaalde aspecten van het verhaal)
*Mensen die een bepaalde spreek- of luisterstrategie hanteren zijn hier niet altijd bewust van
3.1.2 Vaardigheden door spreken en luisteren
Spreek- en luistervaardigheden:
Spreekvaardigheden Luistervaardigheden
Inhoud verwoorden Inhoud Inhoud begrijpen
Een gespreksvorm hanteren Gespreksvorm Omgaan met de gekozen
vorm
Presentatietechnieken Presentatie Presentatietechnieken
hanteren doorzien
Een bepaald taalgebruik Taalgebruik Het taalgebruik doorzien
hanteren
Reactie geven Feedback Reactie geven of
interpreteren
, Terugkoppelen met het Beoordelen Terugkoppelen met het
spreekdoel luisterdoel
Inhoud verwoorden/begrijpen:
Het doorgeven van de inhoud is de kern van veel communicatie. Het is erg belangrijk dat de
spreker de inhoud duidelijk overbrengt en dat de luisteraar de inhoud goed begrijpt. Deze
vaardigheden zijn moeilijk (ook bij stellen en begrijpend lezen).
*Een spreker moet:
- De juiste woorden kiezen
- Een duidelijke lijn in zijn verhaal hebben
- Zich houden aan grammaticale regels etc.
*Een luisteraar moet:
- Woorden interpreteren
- De lijn van het verhaal vasthouden
- Grammaticale regels begrijpen etc.
*In het onderwijs wordt er weinig aandacht aan besteed omdat het kinderen erg makkelijk afgaat om
dit toe te passen, omdat ze het voortdurend doen in hun dagelijkse mondelinge taalverkeer
Een spreker en luisteraar kunnen beide vragen stellen waardoor de rol van spreker en
luisteraar wordt afgewisseld.
Een gespreksvorm hanteren:
Voorbeelden gespreksvorm: telefoongesprek, discussie aan de koffietafel, mondelinge instructie.
Drie grondvormen in de mondelinge communicatie:
- Monoloog – deelnummers vervullen alleen de rol van spreker en luisteraar
- Dialoog (diepte-interview, informatief gesprek, functioneringsgesprek, slecht nieuws
gesprek) – twee deelnemers hebben omstebeurt een rol van spreker en luisteraar
- Polyloog – groepsgesprek met meer dan twee deelnemers die omstebeurt spreker en
luisteraar zijn
Voorbeelden gespreksregels Taal Actief: beurtwisselingen, de ander uit laten praten, de mening van
de ander weergeven, niet roepen, zeggen waarom je iets vindt, reageren op wat de ander zegt, elkaar
aankijken tijdens een gesprek, bij het onderwerp blijven
Presentatietechnieken hanteren of doorzien
Een competente spreker is zich bewust van zijn manier van presenteren en kan zo
presenteren dat zijn tekst goed overkomt. De spreker moet letten op non-verbale aspecten
(stemgebruik, intonatie, oogcontact, kleding, houding, gebaren, tempo etc.). Niet alleen
woorden vormen de inhoud van de communicatie maar ook de manier waarop je iets zegt.
Aspecten die een rol kunnen spelen in de presentatie:
- Ruimte – inrichting van een ruimte en de afstand tussen de spreker en luisteraar
- Beweging – ontspannen zijn, vrij zijn in de ruimte, dwangmatig heen en weer lopen
- Gebarentaal – handen en voeten bewegen om de communicatie te ondersteunen
- Mimiek – gezichtsuitdrukking zegt veel + oogcontact
- Stemgebruik – de klank van een stem geeft de luisteraar info over de bedoeling
- Uiterlijk – kleding speelt een grote rol over de gespreksdeelnemers (maatpak bv.)
Spreekstijl hanteren of doorzien
Spreken: goed verwoorden van de inhoud, luisteren: inhoud begrijpen. Specifiek taalgebruik
wordt een register genoemd. Dat register gebruik je alleen of vooral in die situatie en bij die
mensen. Soms moet een spreker een bepaald register gebruiken om aan te sluiten bij de
luisteraars. Een goede woordenschat is voor een kind erg belangrijk om te weten wat een
spreker precies bedoelt met een uitdrukking of opmerking.