Inhoud: hoofdstuk 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7.2-7.3, 8.3, 9
!!!! TENTAMEN: ONDERZOEK wijst uit dat er vaak uitersten vermeden worden dus A & D. als je het
antwoord echt niet weet kies C want dat is meestal het langste antwoord
Hoofdstuk 1) Manager en management
Leerdoelen:
De begrippen ‘management’ en ‘organisatie’ omschrijven en uitleggen waarom deze
belangrijk zijn
Verschillende managementniveaus in een organisatie omschrijven en uitleggen waarom je op
verschillende niveaus verschillende kennis en vaardigheden nodig hebt
De kernactiviteiten in management en het managementproces beschrijven en het onderlinge
verband aangeven
1.1) Organisatie en management
Management: mensen bereiken door gezamenlijke inspanning bepaalde doelen
- Effectieve en efficiënte inzet van mensen en middelen
Organisatie: samenwerkingsverband van mensen en middelen die bepaalde doelen willen bereiken
- Uitdagend
- Maatschappij van organisaties
- Mensen, die samenwerken, met een bepaald doel (3 kenmerken)
Manager: iemand die processen stuurt, die het handelen van anderen op gang brengt. Hij moet
voortdurend beslissingen nemen over wat, hoe en door wie wat gedaan moet worden. Hij moet
bereid zijn uitleg te geven. Schakel tussen bedrijf, afdeling én zijn omgeving
Kenmerken van managers:
1. Afhankelijk van inzet van anderen: manager is afhankelijk van eigen medewerkers met wie
er een directe gezagsrelatie is, maar ook van leidinggevenden uit andere afdelingen waarmee
geen directe gezagsrelatie is. Managers moeten een werkwijze ontwikkelen waarbij ze
medewerking krijgen van iedereen die bedraagt om de doelen te bereiken
2. Verantwoordelijk: samenwerking bevorderen, overeenstemming met werk en individu,
bemensing (mensen op een plek plaatsen) van de afdeling, opleiden beoordelen, motiveren
en activeren van medewerkers. Voldoende informatie om te weten wat er speelt.
3. Vaardigheden: vergaderen, tijdmanagement, prioriteiten stellen, zaken afhandelen in de
juiste volgorde, terreinkennis, resultaatgericht werken
Goede organisatie Slechte organisatie
Effectief (doeltreffend) Ineffectief (niet doeltreffend)
Efficiënt (doelmatig) Inefficiënt (ondoelmatig)
Succesvol Niet echt succesvol
Doelstellingen worden bereikt volgens plan, op Gestelde doeleinden worden niet bereikt en als
tijd en tegen zo laag mogelijke kosten ze dat wel worden kost dit meer tijd en
middelen dan bij goede organisatie
Industrieel management noodzaakte een rationeler gebruik van de beschikbare middelen dan
vroeger. Mechanisatie stelden nieuwe eisen: er moest leiding gegeven worden en hierdoor ontstond
een soort van ‘management’
,Ontwikkelingen leverden 5 belangrijke managementopvattingen op:
1. Relatie onderneming – samenleving: veel invloed vanuit de maatschappij op het gebeuren
binnen de onderneming en arbeidsorganisatie
- Maatregelen sociale zekerheid, minimumloon en milieubepalingen
- Inspanningen consumentenbonden om ondernemingen te dwingen de belangen van de
consumenten voorop te stellen
2. Globalisering: producten afzetten op wereldwijde markten
- Nieuwe economische grootmachten (Japan, Zuidoost-Azië)
- Groeiende samenwerking
3. Wijziging in gezags-/machtsverhoudingen: invloed van de manager hangt af van bereidheid
van anderen om naar hem te luisteren
4. Rol wetenschap en techniek: operations research (planningsmethoden), cybernetica
(systeembesturing), informatietechnologie, social media, callcenters
5. Marketingfilosofie: afnemers of cliënten maken uit of de organisatie haar doelen bereikt en
blijft bestaan. Elektronische marktplaatsen, merkwaarde
1.2) Managementniveaus in een organisatie
Steile organisatie: veel managementlagen
Platte organisatie: weinig managementlagen
Raad van commissarissen (RVC): toezicht houden op het directiebeleid en algemene gang van zaken
- Benoeming en ontslag directeuren
- Vaststellen jaarrekening
- Goedkeuren belangrijke beleidsbeslissingen, investeringen, wijzigingen
- Ingrijpen als directie faalt
Managementlagen:
1. Topmanagement: zo inhoud geven aan de relatie tussen de organisatie en omgeving dat dit
zorgt voor voortbestaan van de organisatie
- Eigenaar-leider, directeur/directie
- Strategische beslissingen lange termijn
- Creativiteit, enthousiasme, open geest
- Schakelen tussen culturen
- Leiderschap
- Onderhandel en beïnvloeden
- Mens en productiviteit
- ‘Great communicator’ om medewerkers te inspireren
2. Middelmanagement: tijdige en juiste uitvoering van werkzaamheden want hebben
uitvoerende taak naar boven en leidinggevende taak naar beneden
- Afdelingsbeleid formuleren
- Contacten onderhouden (intern & extern)
- Informatie verzamelen voor beoordelen resultaten en bijsturing
- Uitvoering rapporteren aan topleiding
- Medewerkers motiveren
- Werkzaamheden organiseren
- Plannen
- Operationele beslissingen
, 3. Eerstelijnsmanagement & uitvoerende medewerkers: coaching en leiding over uitvoerende
medewerkers (eerstelijnsmanagement). Uitvoerende medewerkers zorgen voor
werkzaamheden en moeten een bepaald niveau van dienstverlening halen
- Problematiek van leidinggeven en organiseren kennen
- Situaties analyseren
- Oplossingen vinden voor problemen
- Mensen meer zelf oplossingen vinden door ICT-ontwikkelingen stijging klantgerichtheid
Interpersoonlijke activiteiten: relatienetwerk opbouwen om processen zo goed mogelijk aan te
sturen
Informatieactiviteiten: voldoende informatie voor besturen organisatie dus op de hoogte blijven van
veranderingen en resultaten
Besluitvormende activiteiten: kansen en bedreigingen uit de omgeving halen
Strategische beslissingen: vaststelling van organisatiedoelen
Tactische beslissingen: organisatieopbouw en de taak-en bevoegdheidsverdeling
Operationele beslissingen: dagelijkse uitvoering
1.3) Managers en leiders: geboren of gemaakt?
Managementeffectiviteit: het benutten en hanteren van middelen, instrumenten voor het behalen
van de doelstellingen
Interpersoonlijke effectiviteit gaan over zaken als leiderschap, overtuigingskracht en invloed
Henri Fayol wordt gezien als de grondlegger van de moderne managementtheorie: management kan
men leren. Werkt management als activiteit uit in 5 bestanddelen:
1. Beleidsbepaling en planning
2. Organiseren
3. Opdrachten geven en hulp verstrekken bij uitvoering
4. Coördineren
5. Controleren en zo nodig bijsturen
Communicatie is bij alle taken van management vereist. Managers moeten inzicht hebben in
communicatie om zo anderen het waarom van zijn besluiten zo uit te leggen dat ze deze begrijpen en
uitvoeren
Volgorde: plannen, organiseren, opdrachten geven, controleren, bijsturen
Beslissen, coördineren en communiceren zijn functies die je bij plannen, organiseren en besturen
vindt
Bijsturingsproces levert weer informatie op over het wel of niet corrigeren en/of aanvullen van de
planning
, Processen bepalen de voortgang van een bedrijf/instelling. Zonder processen functioneert een
organisatie niet. Aandacht geven aan inrichting, functioneren en beheersen van organisatieprocessen
is essentieel. Voor procesbeheersing is het volgende vereist:
- Onderscheiden deelprocessen in kaart brengen’