SOCIALE WETENSCHAPPEN P1P1
PSYCHOLOGIE EEN INLEIDING
HOOFDSTUK 2 BIOPSYCHOLOGIE, NEUROWETENSCHAPPEN EN DE
MENSELIJKE AARD
Biopsychologie: Specialisme in de psychologie dat de interactie tussen biologie,
gedrag en de omgeving bestudeert (studie van het menselijk gedrag).
KERNVRAAG 2.1 WAT IS HET VERBAND TUSSEN GENEN EN GEDRAG?
Evolutie: Het geleidelijk proces van biologische veranderingen van een soort
doordat die zich succesvol aanpast aan zijn omgeving.
De evolutie staat voor de verandering van biologische en psychologische processen in de mens,
waarbij genetische variaties die gunstig zijn voor overleving en voortplanting zullen worden
doorgegeven van generatie op generatie.
Omdat Darwin verbaasd was over de gelijkenissen tussen allerlei dieren en planten, vroeg hij zich af
of er mogelijk een onderlinge verwantschap bestond en of alle schepselen, inclusief mensen,
misschien dezelfde voorgeschiedenis deelden. Dit idee ging echter in tegen de ideeën van de
geaccepteerde wetenschap en van de religieuze leer van het creationisme.
Creationisme: De religieus geïnspireerde opvatting dat het universum en al het
leven op aarde (planten, dieren, mensen) hun ontstaan te danken
hebben aan een bijzonder (goddelijke) scheppingsdaad.
Natuurlijke selectie: Drijvende kracht achter de evolutie, waardoor de omgeving de best
aangepaste organismen ‘selecteert’.
Door middel van natuurlijke selectie is de kans groot dat de individuen die het best aan hun omgeving
zijn aangepast goed gedijen en zich voortplanten (Survival of the Fittest).
De evolutietheorie zegt dat de twee soorten (apen en mensen) in de loop van de tijd van elkaar zijn
gaan afwijken, waarbij in elk van beide groepen andere kenmerken zijn ontstaan. Deze kenmerken
noemt men adaptieve kenmerken (zijn ontstaan door aanpassing aan een specifieke omgeving).
Genotype: Kenmerken van een organisme zoals die genetisch zijn vastgelegd.
Fenotype: Waarneembare fysieke kenmerken van een organisme,
uiterlijk (ook bepaald door omgeving).
, Evi Aldenzee Voeding & Diëtetiek; Sociale Wetenschappen
Elke cel bevat genomen, opgebouwd uit chromosomen die DNA bevatten. DNA is opgebouwd uit
genen.
Genoom: Omvat één complete set van chromosomen van een organisme.
DNA: Lang, complex molecuul dat informatie bevat over alle genetische
eigenschappen (desoxyribonucleïnezuur).
Genen: Stukjes van een chromosoom waarin de codes voor de erfelijke
lichamelijke eigenschappen van een organisme zijn opgeslagen.
Chromosoom: Lange, dunne en spiraalvormige draad waarlangs de genen zijn
gerangschikt als de kralen van een ketting. Chromosomen bestaan
voornamelijk uit DNA.
Het lichaam bevat 23 paar chromosomen (46 chromosomen dus). Twee daarvan zijn
geslachtschromosomen. De eicel van een vrouw bevat altijd geslachtschromosoom X. De
zaadcellen van de man kunnen zowel geslachtschromosoom Y als X bevatten. Wanneer de eicel en
zaadcel samensmelten, ligt meteen het geslacht vast. Geeft de zaadcel van de man het X
chromosoom af, dan wordt de code van het geslacht XX en wordt er een jongen geboren. Heeft de
zaadcel chromosoom Y, dan ontstaat de code XY en wordt er een meisje geboren. De chromosomen
die niet dienen als geslachtschromosoom, worden autosoom genoemd (22 paar van de niét
geslachtschromosomen).
Histoon: Een specifiek eiwit waar het DNA zijn
spiralen omheen wikkelt.
Epigenoom: Een reeks chemische codes die
aanvullende ervaringen op het
DNA vormen. Het epigenoom is flexibel
en past zich aan de omgevingen en
ervaringen aan door genen ‘aan’ en ‘uit’ te zetten.