2.1 De vorming van de Alpen
B66 Endogene en exogene krachten
Aardkorst:
Dikte onder oceanen: 1 tot 7 km
Dikte onder continenten: 30 tot 70 km
Exogene krachten= krachten van buitenaf die de aardkorst veranderen
Verwering= het weer en plantengroei die ervoor zorgen dat hard gesteente uit een
valt
Erosie= het afslijpen van de aardkorst
Sedimentatie= het opbouwen van materiaal wat is meegenomen
Endogene krachten= krachten die van binnenuit de aardkorst veranderen
hitte: hoe dieper hoe warmer
aardkern, aardmantel, aardkorst
convectiestromen= stromend magma
bewegingen hebben breuken veroorzaakt waar aardbevingen en vulkanen met lava
voorkomen
elke plaatrand is een breuk niet elke breuk is een plaatrand
B77 Reliëf
reliëf= hoogteverschillen in het landschap
hooggebergte= hoger dan 1500 meter
middelgebergte= tussen 500 en 1500 meter
heuvelland= tussen 200 en 500 meter
laagland= lager dan 200 meter
vlakte= vlak gebied zonder reliëf
hoogvlakte= hoger dan 500 meter
laagvlakte= lager dan 500 meter
B81 Verwering
verwering= uiteenvallen van gesteente onder invloed van het weer en de plantengroei
puin dat ontstaat heet verweringsmateriaal
mechanische verwering= uiteenvallen van gesteente door temperatuurverschillen
vorstverwering= dooiwater stroomt in een scheurtje en het scheurt verder
biologische verwering= verwering door levende organismen
chemische verwering= als de samenstelling van het gesteente verandert