Belangrijke personen uit hoofdstuk 1, 2, 5, 7, 8 en 9
Ontwikkelingsoverzicht:
Leeftijd Cognitieve Psychoseksuele Psychosociale fase Normale
periode fase vaardigheden
0 – 2 jaar Sensomotorisch Oraal Basaal vertrouwen Eten, slapen, sociale
vs wantrouwen responsiviteit,
hechting, lopen,
sensorimotorische
organisatie
2 – 5 jaar Pre- Anaal Autonomie vs Taal, zindelijkheid,
operationeel schaamte en eigen verzorging zoals
twijfel zelf aankleden,
veiligheidsregels,
Fallisch Initiatief vs zelfcontrole, relaties
schuldgevoelens met leeftijdsgenoten
6 – 11 jaar Concreet- Latentie Vlijt vs Schoolse
operationeel minderwaardighei vaardigheden,
d schoolregels,
spelregels, hobby’s,
omgaan met geld,
eenvoudige
verantwoordelijkhede
n
12 – 20 jaar Formeel- Genitaal Identiteit vs Relaties met andere
operationeel rolverwarring geslacht,
beroepskeuze,
persoonlijke identiteit,
losmaken van gezin,
volwassenen
verantwoordelijkhede
n
Ainsworth:
- Hij ontwikkelde met een aantal collega’s een experimentele situatie, de ‘strange situation’.
- Met de ‘strange situation’ kon de sterkte en kwaliteit van de gehechtheidsrelatie worden
bestudeerd.
- Op basis van reacties van de baby op de vreemde, het vertrek van de moeder en de
hereniging, kunnen baby’s worden ingedeeld in 4 gehechtheidscategorieën.
1. Veilig gehecht (veilig gehechte baby)
2. Angstig-vermijdend (onveilig gehechte baby)
3. Angstig-afwerend (onveilig gehechte baby)
4. Gedesorganiseerd (onveilig gehechte baby)
- Veilig gehecht:
Er is een goede balans tussen exploreren en het zoeken van de nabijheid van moeder.
- Angstig-vermijdend:
, Laten hun moeder gemakkelijk los, exploreren de omgeving matig, delen weinig plezier met
moeder en reageren niet terughoudend op de vreemde.
- Angstig-afwerend:
Hebben grote moeite zich van moeder los te maken en te gaan exploreren.
- Gedesorganiseerd:
Vormen een categorie die niet door Ainsworth maar door Main en Solomon werd
beschreven. Deze baby’s tonen zeer tegenstrijdige en moeilijk te duiden reacties, zoals
toenadering zoeken en zich tegelijkertijd afwenden.
Bandura:
- Leren door observeren en imiteren.
- Bandura beschreef 4 componenten van observationeel leren:
1. Aandachtsprocessen bepalen datgene wat geobserveerd wordt. Niet allen de
eigenschappen van het kind maar ook de eigenschappen van de stimuli spelen een rol.
2. Geheugenprocessen bepalen datgene wat onthouden wordt van het geobserveerde.
3. Motorische reproductieprocessen zetten de mentale beelden om in gedrag
(voorbeeld, kinderen die volwassenen nadoen).
4. Motivationele processen bepalen uiteindelijk welk gedrag zal worden uitgevoerd.
Alfred Binet:
- Vooral beroemd geworden door de door hem en zijn collega Theodore Simon
geconstrueerde intelligentietest.
- De bedoeling hiervan was om kinderen met een ontwikkelingsachterstand te herkennen.
- Binet beschouwde intelligentie als het algemeen cognitief vermogen van een individu dat kan
worden uitgedrukt in een maat, het IQ.
John Bowlby:
- De Engelse psychiater John Bowlby, geïnspireerd door Darwins evolutietheorie en Freuds
psychoanalytische theorie, benadrukte de aangeboren rol van het gedrag van kinderen dat
hen in nabijheid van hun verzorgers brengt.
- Hij veronderstelde ook dat de kwaliteit van de gehechtheidsrelatie sterk wordt beïnvloed
door de kwaliteit van de verzorging van het kind door de volwassene.
- Volgens Bowlby zullen kinderen van ouders die gevoelig zijn voor de behoeften van het kind
en hierop sensitief en effectief inspelen later een groot vertrouwen hebben dat zij in staat
zijn zich te handhaven en hun omgeving te beïnvloeden.
Noam Chomsky:
- Stelt dat het taalvermogen een aangeboren en dus biologisch gefundeerde eigenschap is.
- Daartegenover staat het standpunt van de sociale leertheorie. Die beziet taalontwikkeling als
een proces van imiteren van gesproken taal en het bekrachtigen door volwassenen van
taaluitingen die zij als gewenst ervaren.
- Toch is juist een eigenschap van taalontwikkeling dat het kind woorden op talloze manier
gaat combineren tot nieuwe zinnen.
Charles Darwin: