2018
Hoofdstuk 1 - Inleiding
Het strafrecht is een van de meest tot de verbeelding sprekende rechtsgebieden.
Er wordt door de media veel aandacht aan geschonken en criminaliteit is veelal
zichtbaar op straat (politie, uitgaansgeweld, fietsenheling, hooligans, graffiti,
drugsgebruik etc.). Mensen worden zo dagelijks geconfronteerd met zaken die
met het strafrecht te maken hebben.
De plaats van het strafrecht
Binnen het recht zijn er verschillende rechtsgebieden te onderscheiden:
Het strafrecht houdt zich bezig met het bestraffen van personen die een
strafbaar feit hebben gepleegd. De overheid heeft het monopolie om te
straffen. Een burger die een strafbaar feit pleegt moet verantwoording
afleggen aan de overheid, die hem vervolgens een straf kan opleggen. Dit
is een belangrijk verschil met het civiel (of burgerlijk) recht, waarin de
verhouding tussen burgers onderling wordt geregeld. De staat blijft
hierbuiten.
Ook het bestuursrecht beheerst een groot deel van de verhouding tussen
de Staat en burgers. Dit rechtsgebied houdt zich bezig met het
functioneren van de overheid bij het nemen van beslissingen die de burger
(in)direct raken. Voorbeelden van bestuursrechtelijke kwesties zijn het
afgeven van een horecavergunning door de gemeente of de beslissing van
de overheid tot de aanleg van een nieuwe spoorlijn. De algemene regels
van het bestuursrecht zijn te vinden in de Algemene wet bestuursrecht
(Awb).
Eigenrichting (het recht in eigen handen nemen) is verboden. In het civiele
recht kan de ene burger de andere burger dagvaarden en zo een geschil
voorleggen aan een onafhankelijke burgerlijke rechter die een beslissing
neemt. In het strafrecht daarentegen kan alleen de Officier van Justitie (OvJ)
een verdachte van een strafbaar feit dagvaarden om de verdachte terecht te
laten staan voor de strafrechter. De OvJ is een vertegenwoordiger van het
Openbaar Ministerie (OM), het staatsorgaan dat belast is met de vervolging
van verdachten.
Wanneer iemand een strafbaar feit pleegt, komt dus het strafrecht om de hoek
kijken. Een burger die mishandeld is door een andere burger kan aangifte doen
bij de politie, die deze zaak vervolgens onderzoekt. Daarna komt het onderzoek
bij de OvJ terecht, die de verdachte een dagvaarding kan sturen om voor de
strafrechter te verschijnen.
Vaak betalen misdadigers wel een boete, maar die verdwijnt in de staatskas.
Voor slachtoffers van strafbare feiten bestaat de mogelijkheid om
schadevergoeding te verzoeken bij de strafrechter (art. 51f Sv). Dit voorkomt
een lange, dure en ingewikkelde procedure bij de civiele rechter.
Doelen van straffen
1. Vergelding: het kwaad dat de dader bij slachtoffer teweegbrengt, wordt
vergolden door leedtoevoeging (de straf). Dit kan zodoende zorgen voor
morele genoegdoening: kwaad wordt bestreden met kwaad.
, 2. Preventie: gedachte hierachter is dat mensen geen straf willen krijgen en
gedrag dat mogelijk tot straf leidt dus zoveel mogelijk proberen te
voorkomen. Er zijn twee soorten preventie te onderscheiden:
a) Speciale preventie: er wordt beoogd te voorkomen dat een dader
nog een keer strafbare feiten pleegt; recidive
voorkomen/ontmoedigen.
b) Generale preventie: er wordt beoogd te voorkomen dat anderen
dan de gestrafte een strafbaar feit plegen.
Materieel strafrecht, formeel strafrecht en sanctierecht
Het strafrecht wordt verdeeld in twee takken: het materieel strafrecht en het
formeel strafrecht.
Het materieel strafrecht legt vast welke gedragingen wel of niet
toegestaan zijn en welke personen daarvoor gestraft kunnen worden. Het
omvat strafbepalingen (zoals oplichting, moord, diefstal etc.) en algemene
leerstukken over bijvoorbeeld medeplichtigheid, poging en noodweer. Voor
een belangrijk deel wordt het materieel strafrecht geregeld in het
Wetboek van Strafrecht (Sr).
Het formele strafrecht (of strafprocesrecht) omvat de regels van het
strafproces (zoals de bevoegdheden van de politie, de duur van voorlopige
hechtenis etc.). Deze regels zijn grotendeels te vinden in het Wetboek
van Strafvordering (Sv).
Het sanctierecht: naast het materiële en formele strafrecht bestaat er
ook nog het sanctierecht. Hierin is geregeld onder welke voorwaarden
bepaalde straffen mogen worden opgelegd en ten uitvoer worden gelegd.
Het sanctierecht het is zowel in het Sr als in het Sv geregeld.
Wetten in formele zin zijn wetten die tot stand zijn gekomen door
samenwerking tussen de regering en Staten-Generaal. Er bestaan echter ook
wetten die door lagere openbare autoriteiten zijn opgesteld. Denk aan de
algemene plaatselijke verordening (APV) van een gemeente: alle
gedragingen die in een gemeente specifiek niet toegestaan zijn.
Commuun en bijzonder strafrecht
Het strafrecht is verdeeld over een groot aantal wetten. Wetboeken (Wetboek
van Strafvordering en Strafrecht) zijn wetten waarin het algemene deel van het
strafrecht en strafrechtproces is opgenomen, Het strafrecht dat in de wetboeken
is opgenomen, wordt het commune strafrecht genoemd. Daarnaast bestaan er
strafbepalingen in andere wetten, zoals de Wegenverkeerswet, Opiumwet, Wet
wapens en munitie, Wet toezicht effectenverkeer etc. Deze wetten vormen
samen het bijzondere strafrecht en zijn dan ook bijzondere strafwetten.
De opbouw van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van
Strafvordering
Het Wetboek van Strafrecht (Sr) bestaat uit drie boeken:
1. Boek I regelt de algemene leerstukken van materieelstrafrecht. Deze
zijn van toepassing op alle delicten die strafbaar zijn gesteld. Hierin staan
ook veel regels met betrekking tot het sanctierecht.
2. In Boek II en Boek III staan uitsluitend strafbepalingen. Dat zijn
omschrijvingen van strafbaar gedrag, met een aanduiding erbij van de
maximale straffen die mogen worden opgelegd. Boek II bevat de
misdrijven, Boek III de overtredingen.
,Het Wetboek van Strafvordering (Sv) is ingedeeld in zes boeken. Voor deze
samenvatting zijn de eerste drie het meest belangrijk. De eerste drie boeken van
Sv volgen de chronologische volgorde van het strafproces.
In Boek I ('Algemene Bepalingen') staan de belangrijkste bevoegdheden
tijdens het opsporingsonderzoek.
In Boek II ('Strafvordering in eersten aanleg') staan de regels voor de
vervolingsbeslissing van de OvJ en de procedure voor de berechting van
een verdachte door de rechtbank.
Boek III is helemaal gewijd aan rechtsmiddelen. Rechtsmiddelen zijn
middelen om een beslissing van de rechtbank aan te vechten bij een
hogere instantie.
De invloed van het internationaal en supranationaal recht
De strafrechtelijke regels in Nederland worden niet alleen bepaald door
Nederlandse wetgevers. Nederland sluit verdragen met andere staten waarin
verplichtingen worden aangegaan. Dit zijn bijvoorbeeld verdragen over
terrorisme of discriminatie. Internationaal recht is het recht dat tussen staten
geldt.
Omdat Nederland lidstaat is van de Europese Unie, wordt het strafrecht
beïnvloed door besluiten van de EU en door uitspraken van het Hof van Justitie
van de Europese Unie. Deze regels zijn supranationaalrechtelijk. Dat houdt in
dat het regels zijn die door een internationale organisatie worden opgelegd en
waar de lidstaten van die organisatie zich aan moeten houden.
Uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)
behoren ook tot het supranationale recht.
, Hoofdstuk 2 – Inleiding materieel strafrecht
Strafbepalingen: plaats en structuur
Het materiële strafrecht bepaalt welk gedrag strafbaar is. Dat wordt aangegeven
door de wet en soms verder ingevuld door de rechtspraak. Een strafbepaling in
de meest volledige vorm omvat een:
Delictsomschrijving: beschrijft het ongewenste gedrag
Kwalificatie-aanduiding: benoemt dit gedrag in juridische termen
Strafbedreiging: welke soort straf voor dit gedrag mag worden opgelegd
en wat het maximum daarbij is
In veel artikelen in het Wetboek van Strafrecht omvat de delictsomschrijving
tevens de kwalificatie-aanduiding (bijvoorbeeld: ‘Mishandeling wordt gestraft met
een gevangenis van ten hoogste 3 jaar of een geldboete van categorie 4’).
De opbouw van het strafbare feit in vier componenten
Een strafbaar feit is een menselijke gedraging die valt binnen de grenzen van
een wettelijke delictsomschrijving, die wederrechtelijk is en aan schuld te wijten.
Dit model noemt men ook wel ‘het vierlagenmodel’:
1. Menselijke gedraging (MG)
Alleen personen (natuurlijke personen of rechtspersonen zoals BV’s, stichtingen
en gemeenten) kunnen vervolgd worden voor het plegen van strafbare feiten.
Bovendien moet het gaan om een menselijke gedraging, niemand kan vervolgd
worden voor het hebben van bepaalde gedachten. Tevens is soms juist het
nalaten van een bepaalde gedraging strafbaar.
Vanuit strafprocessueel perspectief is het van belang dat de menselijke
gedraging in een tenlastelegging tot uitdrukking komt. In een tenlastelegging
staat beschreven welke gedraging de verdachte, volgens de OvJ, verweten wordt
en waarvoor hij terecht moet staan. Indien het niet mogelijk is om te bewijzen
dat iemand de ten laste gelegde gedraging heeft begaan, zal de rechter hem
moeten vrijspreken vrijspreken.
2. Wettelijke delictsomschrijving (DO)
Uitgangspunt hierbij is dat gedragingen pas strafbaar zijn als zij in de strafwet
terug te vinden zijn (legaliteitsbeginsel). Omdat niet alle strafbare
gedragingen precies zijn te formuleren in de wet, zijn sommige gedragingen
veralgemeniseerd in de wet. Interpretatie is hier van groot belang.
Vanuit strafprocessueel perspectief moet worden opgemerkt dat de rechter de
feitelijke gedraging uit de tenlastelegging (voor zover deze bewezen is verklaard)
juridisch moet benoemen (kwalificatie) en, na de vaststelling dat de verdachte
het feit heeft begaan (bewezenverklaring), moet bepalen welke
delictsomschrijving van toepassing is op het bewezenverklaarde. Indien het
bewezenverklaarde niet gekwalificeerd kan worden, moet de verdachte worden
ontslagen van alle rechtsvervolging wegens niet-kwalificeerbaarheid van het
bewezenverklaarde. Kwalificatie houdt dus in: een juridisch etiket op de
feitelijke gedraging ‘plakken’ en de bijbehorende delictsomschrijving noemen.
3. Wederrechtelijkheid (W)
Wederrechtelijkheid betekent ‘in strijd met het recht’. Doorgaans is het zo dat
met het vervullen van de delictsomschrijving (het verrichten van een menselijke
gedraging die valt binnen de grenzen van die wettelijke delictsomschrijving) ook