Inhoudsopgave
Inhoudsopgave 1
Inhoud 2
1. Mondelinge taalvaardigheid 3
2. Woordenschat 5
3. Beginnende geletterdheid 7
4. Voortgezet technisch lezen 9
5. Begrijpend lezen 11
6. Stellen 13
7. Jeugdliteratuur 14
8. Taalbeschouwing 16
9. Spelling 18
,Inhoud
Mondelinge taalvaardigheid
- Taalverwerving
- Spreek- en luisterstrategieën
- Spreek- en luisterdoelen
- Gesprekssoorten
Woordenschat
- Woordgeheugen
- Woordenschatverwerving
- Woordleerstrategieën
- Soorten taalgebruik
- Woordenschat en schoolsucces
Beginnende geletterdheid
- Geletterdheid
- Tussendoelen beginnende geletterdheid
- Ontwikkeling geletterdheid
- Auditieve vaardigheden
- Visuele vaardigheden
- Elementaire leeshandeling
Voortgezet technisch lezen
- Leesproces
- Strategieën technisch lezen
- Voordrachtsaspecten
- Lesniveaus
- Technisch lezen in de samenleving
Begrijpend lezen
- Leesvaardigheden voor begrijpend lezen
- Leesstrategieën
- Technieken voor informatieverwerking
Stellen
- Functies van het schrijven
- Het schrijfproces
- Schrijven en de computer
Jeugdliteratuur
- Literaire genres
- Functies van jeugdliteratuur
- Beoordelen van jeugdliteratuur
Taalbeschouwing
- Het taalsysteem
- Taalvariatie
- Taalverandering
- Taalbeschouwingsstrategieën
Spelling
- Schriftsystemen
- Spellingsprincipes van het Nederlands
- Spellingstrategieën
- Spellingscategorieën
- Werkwoordspelling
, 1. Mondelinge taalvaardigheid
Theorieën over taalverwerving:
Er worden drie theorieën besproken:
Behaviourisme: Een stroming binnen de psychologie die ervan uitgaat dat kinderen hun taal leren door imitatie.
De meest voorkomende woorden worden als eerste geleerd.
Creatieve contructietheorie: Ook wel het mentalisme. Binnen deze theorie gaat men ervan uit dat kinderen taal
niet simpelweg imiteren, maar zelf over een aangeboren taalvermogen beschikken waarme ze op een creatieve
manier zinnen kunnen bouwen. Een kind kan elke willekeurige taal leren. Een kind is in staat zelf structuren te
ontdekken.
Interactionele benadering: Men onderschrijft het belang van het aangeboren taalleervermogen, maar men
benadrukt dat het taalaanbod van de omgeving en de interactie tussen een kind en andere moedertaalsprekers
belangrijk is bij het leren van een taal. Het taalaanbod moet afgestemd zijn op de mogelijkheden van het kind.
Eerstetaalverwerving
Niveaus van taal
- Fonologisch: vormen van spraakklanken. Voorbeeld: ‘ah, ah’ of ‘buh buh’
- Morfologisch: de manier waarop woorden gevormd worden. Kinderen maken zich geleidelijk aan de
regels voor de opbouw van Nederlandse woorden eigen. In het begin fouten als: ‘gevald en geloopt’
- Semantisch: de betekenis van woorden. Ze leren niet in één keer de exacte betekenis.
- Syntactisch: kinderen leren de regels die er zijn voor het combineren van woorden. Van ‘Waar bal?’
naar ‘Waar is de bal?’
- Pragmatisch: Kinderen maken zich de regels eigen voor het gebruik van taal en de communicatie
tussen mensen.
- Orthografisch. Spelling
Taalontwikkeling > Prelinguale fase (0 tot 1 jaar)
- Huilen: begint al na de geboorte, signaal geven
- Vocaliseren: klinkers of vocalen produceren
- Vocaal spel: reageren op ouders met klanken
- Brabbelen: herhaling van klankgroepen
Taalontwikkeling > Linguale fase
Vroeglinguale fase (1 tot 2,5 jaar)
Eenwoordzin
Tweewoordzin
Meerwoordzin
Differentiatiefase (2,5 tot 5 jaar)
Overgeneralisatie. Kinderen gebruiken bijv. loopte, gevald en meegebrangt. Dit geeft aan dat een kind
de taalregels voor het vormen van verleden tijd en voltooid deelwoord heeft ontdekt (morfologische
principes).
Voltooiingsfase (5 tot 9 jaar)
Hier leert een kind niet zo gek veel nieuwe dingen meer. De processen uit vorige fasen worden
uitgebouwd. Verschillen tussen kinderen en volwassenen hebben voor een groot deel te maken met
woordenschat.
Op morfologisch niveau moeten ze nog veel leren. Op syntactisch niveau is het nog lastig langere
zinnen te vormen. Op pragmatisch niveau gaan kinderen zich gedragen als volwaardig gesprekspartner,
door taalgrapjes bijvoorbeeld.