- Hoofdstuk 5
1. De student kan de ondernemingen benoemen welke onderworpen zijn aan
regelgeving inzake opstelling en publicatie van het jaarrapport.
Nv, bv cooperaties, OWM, commerciële verenigingen en stichtingen
2. De student kan de wettelijk voorgeschreven onderdelen van het jaarrapport
benoemen en kent de inhoud van deze onderdelen volgens nationale en
internationale wet- en regelgeving.
Jaarrapport:
Jaarrekening
Bestuursverslag (toestand balans datum, beschrijving belangrijkste risico,
risicobeheer, gang van zaken boekjaar, toekomstparagraaf)
Overige gegevens; wettelijk niet verplicht, alleen IFRS (accountantsverklaring,
winstbestemming, bijzondere zeggenschapsrechten, beperkingen in
aandelenrechten, nevenvestigingen)
3. De student kent de formele aspecten van de externe verslaggeving, zodanig dat hij
weet aan welke formele aspecten van de publicatieplicht een onderneming moet
voldoen.
Micro en klein onderneming kunnen fiscale grondslagen toepassen
4. De student kan met argumentatie rechtspersonen indelen naar omvang.
Micro 0-10 700.000
Klein 10-50 700.000-12 mln
Middelgroot 50-250 12mln – 40mln
Groot 250-< 40mln-<
5. De student kan met argumentatie de verwerkingswijze van gebeurtenissen na
balansdatum toepassen.
Gegeven pas bekend na balans datum, maar geldt voor de datum voor jaarrekening.
is de feitelijke waardering op 31 dec onjuist?
6. De student kan uitleggen wat de doelstelling van de controle van de jaarrekening is
en daarbij aangeven welke schriftelijke uitkomst de accountant afgeeft.
Geloofwaardigheid van de jaarstukken vergroten naar buiten toe. Ook brengt
accountant verslag uit naar het bestuur en RvC over relevante bevindingen
Accountantsverklaring - Goedkeurende verklaring - Verklaring met beperking -
Verklaring van oordeelonthouding – afkeurende verklaring
, Week 2 leerdoelen
- Hoofdstuk 6 en 7
1. De student kent de algemene activeringscriteria zoals die zijn omschreven volgens de
IASB en de RJ.
een uit gebeurtenissen in het verleden voortgekomen middel
waarover de onderneming de beschikkingsmacht heeft
waaruit in de toekomst naar verwachting economische voordelen naar de
onderneming zullen vloeien
de kostprijs/waarde van het bedrijfsmiddel kan betrouwbaar worden vastgesteld
2. De student kent de regelgeving inzake vaste activa en kan deze toepassen, zodanig
dat de vaste activa inzicht geeft in het vermogen en het resultaat.
Onderzoekkosten direct resultaten rekening
Ontwikkelingskosten activeren (Nwet heeft keuze)
Concessies en vergunningskosten alleen activeren als ze van derde zijn gekocht
Goodwillkosten alleen activeren als ze van derde zijn gekocht
Oprichtings-en emissiekosten Nwet: keuze IASB en RJ: niet activeren maar resultaat
3. De student kan een mutatieoverzicht voor vaste activa opstellen.
4. De student kan met argumentatie gebeurtenissen na aanschaf van materiële vaste
activa, die invloed hebben op de jaarrekening toepassen.
Onderhoudskosten ten laste van het resultaat. Tenzij het een groot onderhoud is.
Verbeteringskosten activeren.
Bijzondere waardevermindering realiseerbare waarde schatten
Levensduurverandering schatting wijziging, geen stelselwijziging
5. De student kan met argumentatie aangeven hoe vorderingen worden gewaardeerd
en gepresenteerd in de jaarrekening.
IFRS: nominale waarde
Wet en RJ: historische kostprijs of actuele waarde
Bij beide komt de voorziening in mindering
6. De student kent de waarderingsgrondslag van liquide middelen.
Tegen nominale waarde