1. Beoordeel of de onderstaande stellingen juist of onjuist zijn.
I ‘Een mondeling aanbod vervalt als het niet onmiddellijk wordt aanvaard.’
II ‘Een aanbod vervalt doordat het wordt verworpen.’
a. Beide stellingen zijn juist.
b. Beide stellingen zijn onjuist.
c. Stelling I is juist, stelling II is onjuist.
d. Stelling I is onjuist, stelling II is juist.
2. Jutte (woonplaats Rotterdam) heeft op internet een bijzonder kunstwerk gezien,
maar het past niet bij hem in huis. Hij bezoekt de kunstenaar in zijn woonplaats
Arnhem en ze spreken af dat de kunstenaar het in zijn atelier in Utrecht, waar het
dan staat, aanpast aan de afmetingen die Jutte wil. Jutte en de kunstenaar maken
vervolgens geen afspraken meer over wanneer het werk af is en waar het
geleverd wordt.
Waar moet aflevering van het kunstwerk plaatsvinden?
a. Daar moeten partijen eerst zelf nadere afspraken over maken.
b. In Arnhem.
c. In Rotterdam.
d. In Utrecht.
Antwoord C. Zie art. 6: 41 sub a BW.
3. Helvetica B.V. moet 80 paar schoenen leveren aan een grote kledingwinkelketen.
Het levert echter maar 50 paar. De winkelketen heeft vooruitbetaald.
Welk van onderstaande acties is voor de winkelketen de juridisch juiste
vervolgactie?
De winkelketen
a. kan nakoming vorderen.
b. de overeenkomst vernietigen.
c. zich beroepen op schuldeisersverzuim.
d. de schuld omzetten in een brengschuld.
4. Bij een enorm uit de hand gelopen burenruzie, steekt Pim het huis van zijn
buurvrouw in de brand omdat hij naar eigen zeggen “wraak willen nemen” en
haar hard wil treffen. De woning brand tot de grond toe af. De buurvrouw heeft
niets meer en is ernstig getraumatiseerd. Enkel vanwege dit trauma al vordert ze
€ 70.000,- van Pim.
Hoe noemt men deze schade?
a. Affectieschade
b. Immateriële schade
c. Vermogensschade
d. Zaakschade