Samenvatting
Table of Contents
Leerdoelen.........................................................................................................................2
Verandering.......................................................................................................................3
Omgeving..........................................................................................................................3
Bestaansvoorwaardenmodel.............................................................................................5
Diagnose en ontwerp.........................................................................................................6
Verandervermogen............................................................................................................7
Samenhang fit-veranderingsniveaus..................................................................................7
Cultuur...............................................................................................................................8
Weerstand.........................................................................................................................9
Mission statement...........................................................................................................10
Strategiebenadering........................................................................................................10
Driefasenmodel van Lewin...............................................................................................12
Transitiecurve..................................................................................................................13
Stakeholders....................................................................................................................14
Coördinatiemechanisme...................................................................................................16
,Leerdoelen
De student kan de huidige en de gewenste situatie van de organisatie vaststellen.
De student kan het doel en de werking van het bestaansvoorwaardenmodel herkennen en
kan het uitleggen aan de hand van voorbeelden.
De student kan verwoorden hoe diep de verandering ingrijpt op het gedrag van
medewerkers.
De student kan benoemen wat veranderstrategie is, wat de strategieën ‘ontwerpen’ en
‘ontwikkelen’ inhouden en een veranderingsstrategie kiezen, passend bij de situatie.
De student kan aan de hand van de drie-fasen-model van Lewin en de transitiecurve
uitleggen hoe het veranderingstraject gefaseerd wordt.
De student kan benoemen wat functionele relaties zijn en kan in een case aangeven wat de
functionele relaties zijn.
De student kan herkennen wat interventies zijn, wat het interventiewiel inhoudt en aan de
hand van voorbeelden herkennen welke interventie effectief is.
De student kan de voornaamste aspecten herkennen die het verandervermogen van een
organisatie bepalen.
De student kan de begrippen stakeholders-analyse en weerstand benoemen en herkennen
wat bronnen en vormen van weerstand zijn.
2
, Verandering
Soorten van verandering:
o (Deel)systeemveranderingen
o Spontane verandering (komen uit de werknemer zelf)
o Bewuste gestuurde verandering i.v.m. aanpassing aan veranderende
omstandigheden (komen uit de managers)
o Organisatieverbetering- en vernieuwing
o Culturele veranderingen
o Preventieve en curatieve veranderingen
Culturele veranderingen:
o Creatie
o Continuïteit
o Heroriëntatie
o Genezing
o Transformatie
Evolutionair (continu) Revolutionair (discontinu)
Preventief Verbeteren Vernieuwen
Curatief Aanpassen Reorganiseren
Niveaus van veranderingen
1. Strategisch beleid
Richting, geheel van maatregelen die we dienen te nemen om invulling te geven aan
de uitgangspunten die bij de ‘fit’ zijn geformuleerd
2. Functies en ordening
Inrichten van de organisatie om doel te behalen
3. Functioneren of gedrag
Verrichten, kijken naar de oude situatie
Omgeving
Stormachtige, onvoorspelbare omgeving: er zijn vele ontwikkelingen gaande, soms
gelijkgericht, maar soms ook onduidelijk.
Vb. agressieve reclame, lagere prijzen, buitenlandse concurrentie, nieuwe
technologieën.
Stabiele omgeving: een omgeving die voor het management geen verassingen in petto
heeft. Er zijn weinig ontwikkelingen en de omgeving is niet complex.
Turbulente omgeving: waarin een serie tot dusver onbekende trends en ontwikkelingen op
de organisatie afkomt. Deze trends en ontwikkelingen hebben ten opzichte van elkaar
3