Ieder mens, zo stelt de levenslooptheorie, heeft behalve een chronologische of
kalenderleeftijd ook een biologische, psychologische en een sociale leeftijd.
Chronologische-/kalenderleeftijd Deze staat vast vanaf onze
geboortedag.
Ontwikkelingspsychologen gebruiken
deze leeftijd als indicator voor de
ontwikkeling van het kind.
Biologische leeftijd De biologische leeftijd heeft te maken
met fysieke kenmerken. Daarin zijn
grote verschillen, ook tussen mensen
van dezelfde leeftijd.
Psychologische leeftijd Dit is de leeftijd zoals we die zelf
ervaren. Een mens is zo oud als hij
zich voelt; ‘de oudere’ bestaat niet.
Sociale leeftijd Onze sociale leeftijd zegt iets over de
mate waarin we voldoen aan de
verwachtingen die de samenleving
van ons koestert op grond van onze
kalenderleeftijd. We spreken hier ook
wel van leeftijdsnormen. Deze
leeftijdsnormen reguleren de toegang
die mensen van een bepaalde leeftijd
hebben tot rollen en
gedragsmogelijkheden in de
samenleving
Leren deed je in je jeugd, werken en zorgen waren taken voor mensen in de
middenfase, en uitrusten van gedane arbeid was het domein van de
ouderdomsfase.
Deze driedeling in de levensloop heeft zich gedurende eeuwen vastgezet in
onze hoofden en leeft als beeld nog altijd voort, ondanks het feit dat het leven
inmiddels veel complexer is geworden.
De meeste ouderen willen tot op hoge leeftijd een actief en sociaal productief
leven leiden.
In de moderne tijd willen mensen in iedere fase van het leven taken als leren,
werken, zorgen, vrije tijd en reflectie (terugblikken) combineren. We zijn in iedere
levensfase ‘taakcombineerders’ geworden en willen ‘in de breedte leven’. De
standaardbiografie is een keuzebiografie geworden.
De levensfasen:
Eerste levensfase (0-15 jaar) De vroege jeugd.
Hier vinden primaire leerprocessen
plaats in een omgeving van
verzorging en bescherming door
volwassen.
Tweede levensfase (15-30 jaar) De fase jongvolwassenheid.
Snel toenemende zelfstandigheid
in leer- en opleidingskeuzen, in
woon- en leefstijl, in recreatie en in
, relatievorming.
Periode van verkenning, van
oriëntatie op de samenleving,
veelal nog zonder
zorgverantwoordelijkheid voor
anderen.
Derde levensfase (30-60 jaar) De fase van volwassenheid.
Centraal: arbeid en/of de zorg voor
kinderen.
In dit ‘spitsuur’ van het leven kan
de combinatie werk en opleiding,
opvoeding en soms mantelzorg
voor een zorgbehoevende ouder
leiden tot over belasting.
Vierde levensfase (60-80 jaar) Actieve ouderdom.
Peter Laslett: ‘een nieuwe
landkaart van het leven’. Nooit
eerder in de geschiedenis zijn er
zoveel mensen geweest die
belangrijke levenstaken als het
opvoeden van kinderen en het
verrichten van betaalde arbeid
achter de rug hebben, terwijl zij
nog vele jaren in goede gezondheid
kunnen leven.
Vijfde levensfase (80-dood) Hoge ouderdom.
De laatste levensfase treedt in als
mensen geestelijk of fysiek zodanig
raken aangewezen op blijvende
intensieve zorg van anderen dat
hun mogelijkheden om aan andere
levensfasen (zoals werk en
onderwijs) deel te nemen sterk
afnemen.
Sociaal werk en de derde levensfase: Dit is de periode waarin algemene
preventieve maatregelen, gericht op sociale, educatieve en maatschappelijke
participatie, een belangrijke rol kunnen spelen om een positieve balans in het
leven vol te houden.
Sociaal werk en de vierde levensfase: Kenmerkend voor de vierde levensfase
is dat er op heel veel gebieden tegelijk iets moet gebeuren: aan het huis, aan de
regeling van het dagelijks leven, aan de persoonlijke zorg. Het vraagt veel
organisatievermogen om dit alles voor elkaar te krijgen.
Generativiteit: de wil of het vermogen om iets te generen of voort te brengen.
Dit kan zich uiten in het hebben en grootbrengen van kinderen, of in de zorg voor
andere mensen via een beroep of vrijwilligerswerk. > Verwijst voort naar de diep
menselijke behoefte om zorg te dragen voor de huidige en komende generaties.
Levensgebeurtenissen en veranderingen in de levensloop
Leeftijd normatieve Het volbrengen van levenstaken die
gebeurtenissen nauw gekoppeld zijn aan onze leeftijd.