Organisatiekunde
H3: de doelen van instellingen
3.1 Het kenmerk van een doel
Doel: een situatie die wordt nagestreefd.
Om te weten of het doel is bereikt, moet het doel zo specifiek mogelijk, liefst meetbaar
worden omschreven. Hetzelfde geldt voor de bestaande situatie.
3.2 Externe doelen
Externe doelen van een organisatie: de doelen die buiten de eigen organisatie zijn gelegen
De doelen van een organisatie zijn bijna altijd naar buiten gericht, op andere mensen. De
output van de organisatie is de dienstverlening aan de klanten, een verandering in de
wereld buiten de organisatie zelf.
Bijvoorbeeld: maatschappelijk werk gericht op klanten, niet op medewerkers
Alleen bij verenigingen komt he voor dat die er alleen voor het plezier van de leden zijn.
3.3 Interne doelen
Naast de externe doelen heeft een organisatie ook altijd interne doelen.
Interne doelen: doelen die gericht zijn op de toestand of toekomst van de organisatie zelf
of onderdelen daarvan. Voorbeelden van interne doelen zijn:
- Continuïteit
- Werkgelegenheid
- Een prettig werkklimaat voor de medewerkers
- Andere doelen van de leden van een organisatie (bijv. streven naar promotie)
Een organisatie biedt daarnaast vaak nog de mogelijkheid persoonlijke doelen na te
streven. Een organisatie is dus ook een middel om tegemoet te komen aan allerlei
belangen van de mensen die de organisatie bevolken. De officiële doelen kunnen zelfs op
het tweede plan komen te staan als de interne doelen onvoldoende tot hun recht komen.
De doelen van een organisatie vormen dus een complex geheel van officiële, feitelijke,
opgelegde en zelfgekozen, externe en interne doelen.
3.4 Doelbepalers
Een organisatie bepaalt zelf haar doelen. Toch hebben vele invloed op deze doelen, zowel
binnen als buiten de instelling.
Interne doelbepalers:
Het hoofddoel wordt geformuleerd door de bestuurders van de organisatie. De
medewerkers hebben ook invloed, dankzij het recht op medezeggenschap.
De rol van de maatschappij:
De meeste instellingen voor zorg en welzijn zijn ontstaan door particulier initiatief: een
aantal burgers besloot een ideëel doel te realiseren. De maatschappij stelt eisen.
De klanten hebben ook een zekere invloed. Direct via eigen bijdragen (zoals bij thuiszorg)
of indirect via de betalingen door overheid en verzekeraars, beïnvloeden zij het beleid van
de instelling. Zij kunnen hun stem ook luider maken door zich te organiseren in cliënten- of
patiëntenverenigingen. Dit zijn belangengroepen.
Ook het beleid en de voorwaarden van verzekeringsmaatschappijen hebben invloed op de
doelstellingen van de organisatie.
1