Onderzoek aan smartphone discussieartikel
Voor onderzoek aan inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken door
opsporingsambtenaren vereist de wet geen voorafgaande rechterlijke toetsing of tussenkomst van de officier van
justitie. Indien de met het onderzoek samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als beperkt kan
worden beschouwd, biedt de algemene bevoegdheid van opsporingsambtenaren, neergelegd in art. 94, in
verbinding met art. 95 en 96 Sv, daarvoor voldoende legitimatie. Dit zal het geval kunnen zijn indien
het onderzoek slechts bestaat uit het raadplegen van een gering aantal bepaalde op de elektronische
gegevensdrager of in het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens. Indien dat onderzoek zo
verstrekkend is dat een min of meer compleet beeld is verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven
van de gebruiker van de gegevensdrager of het geautomatiseerde werk, kan dat onderzoek jegens hem
onrechtmatig zijn. Daarvan zal in het bijzonder sprake kunnen zijn wanneer het gaat om onderzoek van alle in de
elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens met
gebruikmaking van technische hulpmiddelen.
De bevoegdheid tot inbeslagneming van voorwerpen en de daarin besloten liggende bevoegdheid tot
het verrichten van onderzoek aan die voorwerpen kunnen op grond van art. 95 en 96 Sv ook worden
uitgeoefend door de op grond van art. 148 Sv met het gezag over de opsporing belaste officier van
justitie, nu deze blijkens art. 141 aanhef en onder a Sv met opsporing is belast. Voorts kunnen die
bevoegdheden op grond van art. 104 lid 1 Sv worden uitgeoefend door de rechter-commissaris. In zo
een geval vormen de genoemde wettelijke bepalingen een toereikende grondslag
voor onderzoek aan inbeslaggenomen dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke
levenssfeer meebrengt. Daarbij valt aan onderzoek door de rechter-commissaris in het bijzonder te
denken in gevallen waarin op voorhand is te voorzien dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer
zeer ingrijpend zal zijn.
Zoeken naar een redelijke verhouding tussen
privacybescherming en werkbare opsporing (annotatie
onderzoek aan smartphone arrest).
Welke wettelijke waarborgen vergt het onderzoek in een smartphone?
Houdt een opsporingsambtenaar een verdachte aan, dan is hij bevoegd de smartphone die de
verdachte bij zich heeft, zijnde een voorwerp dat kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen,
in beslag te nemen op grond van de artikelen 94 en 95 Sv. Diezelfde bevoegdheid heeft de
opsporingsambtenaar als hij ergens een plaats betreedt (art. 94 jo. 96 Sv), of een auto doorzoekt (art.
94 jo. 96b Sv). Het ligt in de rede dat voorwerpen die mogelijk relevante informatie voor het bewijs
van een bepaald strafbaar feit opleveren, nader mogen worden onderzocht. Het strafvorderlijk
legaliteitsbeginsel ex artikel 1 Sv en artikel 8 EVRM vereisen een wettelijke basis voor
overheidsoptreden en stellen daar bovendien kwaliteitseisen aan. Die eisen komen er kort gezegd op
neer dat hoe meer er op het spel staat (recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en de
integriteit van de opsporing) hoe hoger de eisen aan de kwaliteit van de wet en hoe belangrijker een
specifieke wettelijke grondslag (voor het maken van een gerechtvaardigde inbreuk op dat recht op
bescherming van de persoonlijke levenssfeer). De genoemde inbeslagnemingsbevoegdheden
bevatten echter geen beperkingen of waarborgen ten aanzien van onderzoek aan een zeer
privacygevoelig voorwerp als de inbeslaggenomen smartphone, terwijl smartphones in de praktijk
uiteraard wel in beslag worden genomen.
, De Hoge Raad over onderzoek in een smartphone
De kernvraag die aan de Hoge Raad wordt voorgelegd is of artikel 94 Sv, in verbinding met de
artikelen 95 en 96 Sv, een voldoende wettelijke grondslag vormt voor het onderzoek in de
inbeslaggenomen smartphone van de verdachte. In de algemene overwegingen gaat de Hoge Raad
eerst in op bestaande jurisprudentie over onderzoek in computers. Die jurisprudentie is relevant
omdat een smartphone in juridische zin hetzelfde is als een computer. Beide worden door de wet
gezien als geautomatiseerd werk.
Voor het doen van onderzoek door een opsporingsambtenaar aan inbeslaggenomen elektronische
gegevensdragers en geautomatiseerde werken vereist de wet geen voorafgaande rechterlijke
toetsing of tussenkomst van de officier van justitie. Indien de met het onderzoek samenhangende
inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als beperkt kan worden beschouwd, biedt de algemene
bevoegdheid van opsporingsambtenaren (art. 94, 95 en 96 Sv) daarvoor voldoende legitimatie. Dit zal
het geval kunnen zijn indien het onderzoek slechts bestaat uit het raadplegen van een gering aantal
bepaalde op de elektronische gegevensdrager of in het geautomatiseerde werk opgeslagen of
beschikbare gegevens.
Indien dat onderzoek zo verstrekkend is dat een min of meer compleet beeld is verkregen van
bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker van de gegevensdrager of het
geautomatiseerde werk, kan dat onderzoek jegens hem onrechtmatig zijn. Daarvan zal in het
bijzonder sprake kunnen zijn wanneer het gaat om onderzoek van alle in de elektronische
gegevensdrager of het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens met
gebruikmaking van technische hulpmiddelen. Indien het Hof bevindt dat sprake is van kort gezegd
inhoudend dat met apparatuur en/of software alle op een smartphone en/of de bijbehorende SIM-
kaart opgeslagen of beschikbare gegevens zijn uitgelezen waardoor (volledig) inzicht is verkregen in
contacten, oproepgeschiedenis, berichten en foto’s, ontstaat daardoor het vermoeden dat een meer
dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is gemaakt.
Een gedifferentieerd beoordelingskader
Van een meer dan beperkte inbreuk zal sprake kunnen zijn als met behulp van een technisch
hulpmiddel alle opgeslagen en beschikbare gegevens zijn onderzocht. Het wijzen op de hoeveelheid
als belangrijke factor voor een meer dan beperkte inbreuk is begrijpelijk daar waar het gaat om de
bescherming van de grote hoeveelheid informatie die in een smartphone te vinden is. Daarbij valt
overigens op dat de Hoge Raad spreekt van op de elektronische gegevensdrager of in het
geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens. Nu beschikbaar contrasteert met
opgeslagen moet het wel betekenen dat het voorbeeld ook betrekking heeft op gegevens die via de
telefoon beschikbaar zijn, ofwel op gegevens in de cloud of in andere via de smartphone
toegankelijke computers. Kan een dergelijke netwerkzoeking ook door een opsporingsambtenaar
worden verricht zolang die zich maar beperkt tot handmatig, beperkt en gericht onderzoek? De
letterlijke bewoordingen van de Hoge Raad suggereren van wel en leggen dus veel
verantwoordelijkheid bij de opsporingsambtenaar om zelf te bepalen wanneer hij in zijn zoektocht de
grens naar een meer dan beperkte inbreuk overschrijdt.
Een andere vraag die oproept is of niet ook andere factoren dan hoeveelheid een rol zouden kunnen
en moeten spelen bij het bepalen van de mate van de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Naast
de hoeveelheid is ook de aard van de informatie van belang, want ook is relevant van welke aspecten
van iemands persoonlijke leven een compleet beeld wordt verkregen. Naast de aard van de
informatie zou nagedacht moeten worden over de factoren die in de rechtspraak worden genoemd
als relevant voor het bepalen van de stelselmatigheid van een observatie, namelijk duur, plaats,
intensiteit en frequentie en de hulp van een technisch hulpmiddel. Die factoren zijn niet allemaal