Hoorcollege 1
Strafrechtelijke aansprakelijkheid
Materieel strafrecht Formeel strafrecht
-Inhoud, werkelijkheid -Vorm, procedure
-Strafbaarstelling van gedrag + straf -Verwezenlijking materiële strafrecht
Strafrechtelijke aansprakelijkheid
Wat is strafrechtelijke aansprakelijkheid?
O.a.: voorwaarden voor strafbaarheid:
Menselijke gedraging
Die valt binnen de grenzen van een wettelijke delictsomschrijving
Die wederrechtelijk is
En aan schuld te wijten
Strafrechtelijke aansprakelijkheid
Strafrechtelijke aansprakelijkheid is veelal ruimer
Bijvoorbeeld:
(Zware) mishandeling; SO dood in ambulance. Causaal verband?
Zware mishandeling: vrijspraak. Nieuwe vervolging wegens mishandeling mogelijk?
Moeder pleegt kindermoord (art. 291 Sr); OvJ legt art. 289 Sr ten laste. Kwalificatie?
Op kindermoord staat maximaal negen jaar gevangenisstraf. Dit is aanzienlijk minder dan ‘gewone’
moord. Bij moord staat levenslang of 30 jaar. Aan de rechter is het om te bekijken of kwalificatie via
art. 291 Sr of 289 Sr gaat (moord of kindermoord).
Legaliteitsbeginsel
In 1886 trad ons Wetboek van Strafrecht in. Sinds toen is het legaliteitsbeginsel opgenomen. Het
legaliteitsbeginsel is ook opgenomen in de Grondwet.
Art. 1 lid 1 Sr: ‘Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling’.
Als de overheid jou een verwijt maakt en jou ook wil bestraffen moet in de wet zijn opgenomen dat jouw
handeling strafbaar is.
Breed (internationaal) erkend beginsel:
Art. 7 EVRM (vgl. EHRM Nj 1997/1)
Art. 15 IVBPR
Art. 16 Grondwet
Art. 11 lid 2 Universele verklaring van de rechten van de mens
Art. 49 Handvest van de grondrechten van de EU
‘Wettelijk’: wet in formele zin en wet in materiële zin
Het legaliteitsbeginsel heeft zowel op de WIFZ als de WIMZ (zoals de APV) betrekking.
Legaliteitsbeginsel
Elementen van legaliteit:
Aansprakelijkheid op grond van een wettelijke bepaling
o Nullum crimen sine lege (incl. lex certa-vereiste)
o Nulla poena sine lege
Geen terugwerkende kracht
o Nulla poena sine lege praevia
Je kunt niet iemand straffen voor iets wat nu niet strafbaar is.
Verbod van te extensieve interpretatie en analogieverbod
Je moet in de wet kunnen opzoeken wat strafbaar is. Die mogelijkheid moet bestaan zodat je weet
welke gevolgen je handelingen hebben.
Legaliteitsbeginsel
1
,Legaliteitsbeginsel is instrumenteel en rechtsbeschermend; het legitimeert en limiteert de mogelijkheid van
strafrechtelijk optreden.
Als bepaald gedrag niet is omschreven als strafbaar gedrag, dan kan je dat gedrag straffeloos verrichten =
rechtsbescherming.
Door gedrag te omschrijven als bijvoorbeeld diefstal, en dat gedrag ook te bestraffen, dat maakt het iets
instrumenteel voor de wetgever.
Samenvatting van afgelopen half uur:
Fundamenten van legaliteit:
Schuld en preventie: inzicht in de strafwaardigheid van gedrag; vermijdbaar en verwijtbaarheid
Je kon weten dat je gedrag strafbaar is, je kon het voorkomen (vermijden). Je hebt dit niet gedaan dus
dit maakt het verwijtbaar.
Rechtsstaat: binding van de overheid aan de democratisch gelegitimeerde wet
De overheid mag bijvoorbeeld niet meer straf opleggen dan is opgenomen in de wet.
Rechtszekerheid als overkoepelend fundament
Het voorkomen van willekeur van de overheid. De wetgever moet zo precies mogelijk opschrijven wat
strafbaar is.
Lex certa dient kenbaarheid van het recht en daarmee rechtszekerheid
“Zekere wetgeving”. Duidelijke, heldere, goed afgebakende wetgeving. Dat is waar de wetgever zich aan moet
houden.
Legaliteitsbeginsel
Hoofdregel art. 1 lid 1 Sr: wet ten tijde van handelen
Je kunt alleen die straf krijgen die ten tijde van het plegen van het feit opgenomen is in de wet. Maar wat als de
wet nu gewijzigd is nadat jij je strafbaar handelen hebt gepleegd? Dit verandert in beginsel niets, tenzij het in
het voordeel is van de verdachte om de nieuwe straf te handhaven.
Verbod van terugwerkende kracht betreft zowel de strafbaarheid als de straf
Verbod dient de kenbaarheid van het recht; rechtszekerheid
Nuancering op hoofdregel van art. 1 lid 1 Sr: bij wetswijziging ten gunste van de verdachte moet de nieuwe wet
worden toegepast (art. 1 lid 2 Sr).
Dit roept verschillende vragen op?
- Wanneer hebben we te maken met een wijziging?
- En wanneer hebben we te maken met een gunstigere regeling voor de verdachte?
HR Lex Mitior en HR … gaan over deze situaties.
Verandering van wetgeving
Er kunnen wijzigingen voordoen wanneer de straf wordt veranderd (hoger of lager), maar er kunnen ook
wetswijzigingen voordoen waardoor de delictsomschrijving veranderd. Dit brengt allerlei complicaties met zich
mee brengen.
Wanneer is sprake van verandering van wetgeving (art. 1 lid 2 Sr)?
1) Wijzigingen die verband houden met delictsomschrijving:
Veranderd inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van de onderwerpelijke gedraging
o Beperkt materiële leer
Het gaat dus om verandering van gedachte van de wetgever over het strafbare gedrag. Dit wordt
gebruikt (deze norm) in de rechtspraak, de beperkt materiële leer, om te kunnen berechten. Andere
inhoudelijke wetswijzingen kunnen dus van belang zijn.
Materieel: niet alleen wetswijziging aangaande de strafbepaling maar ook andere relevante
wetswijzigingen die doorwerken in de strafrechtelijke normstelling (vgl. Incest-arrest).
HR Incest Dit had betrekking op wijziging van het burgerlijk wetboek, de meerderjarigheidsgrens
(van 21 jaar naar 18 jaar). Nu werd iemand verdacht van incest met zijn minderjarig kind in de periode
dat zijn kind 16 tot 19 jaar was. Na het einde van deze periode werd de verdachte vervolgd. De
meerderjaardigheidsgrens werd gewijzigd in het BW ten tijde van het proces. Toen was er sprake van
een nieuwe voordelige bepaling voor de verdachte. Deze wijziging, niet van het Wetboek van
2
, Strafrecht, maar de wijziging van het BW was mede bepalend voor de uitleg van de strafrechtelijke
bepaling.
Beperkt: slechts veranderingen die voortvloeien uit veranderd inzicht omtrent strafwaardigheid (vgl.
wetgeving met tijdelijk karakter).
Er zijn ook wetswijzigingen denkbaar waarin zulke veranderingen, nieuwe inzichten, niet aanwezig zijn.
Gewijzigd inzicht hoeft niet altijd te worden aangenomen.
Voorbeeld. Jagen op wild mag alleen in het jachtseizoen. Jagen in strijd met het jachtverbod mag niet.
Tegen de tijd dat je je hiervoor moet verantwoorden bij de rechter is het jachtseizoen geopend, de
verdachte zal vragen om een ontslag van alle rechtsvervolging. Het jachtverbod is naar zijn aard
slechts tijdelijk en daarom is het strafbaar ook wanneer het jachtseizoen is geopend. Het jachtverbod
raakt de werking van de delictsomschrijving. We moeten hiervan onderscheiden regels van
strafoplegging.
Verandering van wetgeving
Onder wijzigingen van regels van sanctierecht kan men verstaan het veranderen van de sancties bij een
bepaalde delictsomschrijving, maar je kan ook de algemene bepalingen er onder verstaan.
Wanneer is sprake van verandering van wetgeving (art. 1 lid 2 Sr)?
2) Wijzigingen in regels van sanctierecht (specifieke sanctienormen en algemene regels van het sanctiestelsel)
‘Een sedert het plegen van het delict opgetreden verandering [moet] door de rechter met
onmiddellijke ingang – en dus zonder toetsing aan de maatstaf van het gewijzigd inzicht van de
strafwetgever omtrent de strafwaardigheid van de vóór de wetswijziging begane strafbare feiten –
worden toegepast, indien en voor zover die verandering in de voorliggende zaak ten gunste van de
verdachte werkt’.
HR Lex Mitior (daar komt bovenstaand citaat uit).
Achtergrond: EHRM Scoppola: gebod om gunstigste bepalingen met terugwerkende kracht toe te
passen, ligt in 7 EVRM besloten proportionaliteit van straftoemeting.
Art. 7 EVRM = strafrechtelijk legaliteitsbeginsel. Nieuwe mildere wetgeving moet met terugwerkende
kracht worden toegepast. Dit komt overeen met art. 1 lid 2 Sr. De benadering van het EHRM wijkt af
van de HR, het gaat namelijk bij het EHRM om proportionaliteit van straftoemeting.
Rechtsmacht
Rechtsmacht, ook wel jurisdictie.
Uitgangspunt: territorialiteit
Deze achterliggende gedachte is van oudsher het uitgangspunt bij: welke rechter is bevoegd. Dit houdt verband
met de soevereiniteit. Iedere overheid heeft op zijn terrein een geweldsmonopolie (het OM mag strafbare feiten
vervolgen). Als Nederland geen jurisdictie kan uitoefenen dan leidt dat tot niet-ontvankelijkheid van de OvJ.
Art. 2 Sr: “De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig
maakt.”
Het uitgangspunt is in dit artikel opgenomen.
Bij buitenlanders is het lastig. De vraag zal moeten zijn hebben de Chilezen in Nederland ook een strafbaar feit
gepleegd. Het begrip ‘in Nederland’ moet ruim worden uitgelegd. Hiervoor zijn verschillende
aanknopingspunten ontwikkeld in de rechtspraak.
Rechtsmacht
“In Nederland” Aanknopingspunten
Materiële gedraging
Centraal staat hier waar de feitelijke handeling heeft plaatsgevonden.
Werking van het ‘instrument’
Voorbeeld: Azerwijnse paard. Azerwijnse is een plaats op de scheiding van Nederland en Duitsland. Een
Duitser had op de Duitse kant een lasso gepakt en wist het zo te organiseren dat hij een paard aan de
Nederlandse kant naar Duitsland trok. Hem werd verweten dat hij het paard naar de Duitse kant had
getrokken. Hij heeft het strafbaar handelen dus niet in Nederland gepleegd. Uitvoering van het
3
, strafbare feit vond mede in Nederland plaats (het touw dat om het nek zat van het paard) en daarom
had Nederland ook jurisdictie.
Intreden van het gevolg
Singapore-arrest. Deze zaak ging om oplichting. Onze verdachte woonde in Singapore. Hij had met een
kameraad afgesproken om vanuit Singepore in Nederland via het internet op te lichten. Het slachtoffer
woonde in Amsterdam. Het slachtoffer heeft geld overgeboekt aan de verdachte in Singapore. De
verdachte is dus op geen enkel moment in Nederland geweest. De HR ging niet mee in het betoog van
de verdachte (“ik ben niet in Nederland geweest”). De plaats waar het gevolg van het strafbare feit
heeft plaatsgevonden, is ook de plaats waar jurisdictie is.
Uitvoeringshandelingen
De speelde zich af in Kerkraden. Er was sprake van ernstige bedreiging met vuurwapen. Slachtoffer
moest 10 miljoen betalen. Hij werd naar verschillende landen gestuurd om het geld te halen. De
uitvoeringshandelingen, ook die mede in het buitenland werden uitgevoerd, daar had Nederland
jurisdictie over. Echter dit is alleen omdat er sprake is van mede. Er moet dus zowel sprake zijn van
uitvoeringshandelingen in Nederland als in het buitenland.
NB: Nederlands (lucht)vaartuig (art. 3 Sr)
Het vlagbeginsel. Iedereen die zich buiten Nederland aan boord van een Nederlands schip/vliegtuig een
strafbaar feit pleegt, die valt onder jurisdictie van Nederland.
Rechtsmacht
Extraterritoriale rechtsmacht (rechtsmacht vestigen buiten Nederland):
Nationaliteit/status verdachte (o.a. art. 7 en 8 Sr)
Nationaliteit, art. 7 Sr Een Nederlander buiten Nederland pleegt een strafbaar feit en Nederland
heeft hier jurisdictie over. Actieve personaliteitsbeginsel= verdachte moet Nederlander zijn. Waar moet
het hier om gaan? Het moet gaan om een Nederlander + het handelen van de Nederlander moet zowel
in Nederland als in België strafbaar zijn.
Status, art. 8 Sr Het gaat hier om de functie van de verdachte, zoals het zijn van ambtenaar.
Bepalend is hier niet de nationaliteit, maar de functie.
Nationaliteit/status slachtoffer (o.a. art. 5 Sr)
Het passieve personaliteitsbeginsel vinden we hier terug. Het gaat dan om een Nederlands slachtoffer
en daardoor heeft Nederland jurisdictie. Het moet gaan om een betrekkelijk ernstig strafbaar feit (zie
art. 5 Sr voor de vereisten van betrekkelijk ernstig).
Aard delict (o.a. art. 4, 6 Sr)
Bepaalde delicten zijn strafbaar gesteld voor iedereen (ongeacht nationaliteit, ongeacht of er enige
betrekking is met het land waar jurisdictie wordt uitgeoefend). Zie de artikelen voor welke feiten dat
zijn.
Hoorcollege 2
Strafrechtelijke aansprakelijkheid
Wat wordt er bedoeld met causaliteit? Bij de vraag over causaliteit gaat het om een oorzakelijk verband, is die
gebeurtenis het gevolg van een bepaalde handeling? Is die gebeurtenis door een bepaalde handeling
veroorzaakt? Als men opzoek gaat naar algemene bepalingen over causaliteit dan kan je eindeloos blijven
zoeken. Die wetsbepalingen kennen we niet. Het is dus grotendeels aan de rechtspraak en wetenschap
overgelaten.
Causaliteit: oorzakelijk verband. In het strafrecht hebben we het dan over of een bepaald gevolg valt toe te
rekenen aan een bepaalde handeling van een bepaald persoon. Causaliteit levert in beginsel geen probleem op,
maar soms wel.
Art. 157 Sr: opzettelijke brandstichting ‘indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is’
Het gaat om de vraag of er door die brandstichting levensgevaar is geweest voor een ander of voor
anderen (dus niet voor jezelf). Er kan sprake zijn van levensgevaar voor anderen indien een auto in de
fik wordt gestoken en deze auto staat voor een rijtjeshuis geparkeerd. Het maakt dus niet uit dat het
niet uit dat niemand in de auto stond, het maakt wel uit dat er iemand in het rijtjeshuis aanwezig was.
Om te voldoen aan dit artikel moet het ook zijn dat er meteen sprake is van levensgevaar. Het gevaar
moet aanwezig zijn ten tijde van de brandstichting.
4