Blok 2.1
Hoofdstuk 3 – Vertering en absorptie
Het proces van vertering begint al voordat we hebben gegeten. Bij het ruiken van geuren van
eten beginnen de verteringssappen al met werken.
Verteren = Het breken van voedsel in steeds kleinere moleculen.
Absorberen = Het verplaatsen van deze kleine moleculen van de darm naar de bloedbaan of
het lymfesysteem.
Het spijsverteringskanaal is gemaakt, zodat het tegelijkertijd koolhydraten, eiwitten en
vetten kan verteren terwijl bijvoorbeeld vitamines, mineralen en cholesterol worden
klaargemaakt voor de absorptie.
Smaak en geur: Het begin van onze voedsel ervaring
Je herkent smaken mede door je gevoel voor geur je proeft dingen minder goed als je
tijdens het eten je neus dicht houdt.
Bij het denken aan voedsel kan bijvoorbeeld de cerebrale cortex gestimuleerd worden, die
een bericht verstuurd naar de hypothalamus en dan naar de nervus vagus en naar de maag,
zodat de maag maagsappen gaat uitscheiden.
Het traject van het maagdarmkanaal
De vertering begint pas echt wanneer je voedsel in je mond hebt.
Het voedsel dat we eten om ons lichaam te voeden moet verteerd worden, geabsorbeerd
worden en uiteindelijk worden getransporteerd naar de weefsels en cellen van het lichaam.
De organisatie van het maagdarmkanaal
Het maagdarmkanaal is een lange holle buis dat begint in de mond en eindigt in de anus.
De specifieke delen van het maagdarmkanaal zijn de: mond, slokdarm, maag, dunne darm,
dikke darm en het rectum.
Met de hulp van de ondersteunende organen speekselklieren, lever, galblaas en de pancreas
kan het maagdarmkanaal voedsel in kleine moleculen veranderen en verteren.
Functies van het maagdarmkanaal
1. De inname van voeding
2. Het transporteren van het ingenomen voedsel
3. De secretie van verteringsenzymen, zuren, slijm en gal
4. Het absorberen van de eindproducten van de vertering
5. Het verplaatsen van onverteerd voedsel
6. Eliminatie – de excretie van nutteloze producten
1
, Orgaan De rol in de vertering
De mond Het afbreken van voedsel. Het enzym amylase is hierbij betrokken.
De vertering begint hier.
De slokdarm Transporteert voedsel van de mond naar de maag.
De maag Hier vindt secretie van sappen en zuren plaats, die helpen bij de
vertering.
Voedsel wordt gemixt met de sappen en de chymus wordt vloeibaar.
Eventuele bacteriën worden hier vernietigd.
In de maag begint de vertering van eiwitten.
In de maag begint de vertering van vetten.
In de maag vindt de secretie van intrinsic factor plaats die nodig is voor
de absorptie van vitamine B12.
In de maag wordt de chymus langzaam naar de dunne darm
getransporteerd.
Dunne darm Hier eindigt de vertering van koolhydraten, eiwitten en vet.
De meerderheid van de voedingsstoffen zijn geabsorbeerd.
Dikke darm Absorbeert water en elektrolyten
Vormt en slaat de feces op
Hier bestaan de meeste darmbacteriën
Speekselkliere Secretie van speeksel, zodat het kauwen makkelijker gaat
n
Lever Produceert gal die wordt toegevoegd bij de vertering en absorptie van
vet.
Galblaas Slaat gal op uit de lever
Pancreas Secretie van enzymen die invloed hebben op de vertering en absorptie.
Staat hormonen af die helpen bij het reguleren van het metabolisme en
hoe voedingsstoffen in het lichaam worden gebruikt.
Rectum Houdt feces vast en laat feces vrij via de anus.
De structuur van het maagdarmkanaal
De binnenste laag is de mucosa, dit is een epitheel laag van cellen en klieren.
Daarna komt de submucosa, deze bestaat uit los, vezelachtig bindweefsel, klieren,
bloedvaten en zenuwen.
Er zijn twee lagen spiervezels die helpen bij het bewegen van voedsel door het
maagdarmkanaal:
1. Eerst de laag met circulaire spieren, waar spiervezels rond de buis zitten.
2. Dan de laag met longitudinale spieren, waar de spiervezels in de lengte om de
buis zitten.
Als laatst komt de serosa, dit is een bescherming voor het hele maagdarmkanaal. De
serosa scheidt vloeistoffen af die helpen bij het beschermen van de wand van het
maagdarmkanaal.
De spieren zijn dikker op de plekken waar het ene orgaan verbindt met het andere
(bijvoorbeeld de slokdarm met de maag).
Het voedsel kan alleen naar het andere orgaan, maar kan niet meer terug.
2
,Een overzicht van de vertering: Het fysieke en chemische proces
Bij de vertering is zowel het fysieke en het chemische proces betrokken.
Het begint met het fysieke proces voedsel wordt gebroken in kleinere deeltjes. Dit begint
door het kauwen en spierbewegingen maken dit af.
Daarna wordt voedsel met verschillende sappen gemengd en wordt de chymus door het
maagdarmkanaal getransporteerd.
Enzymen helpen bij het breken van de moleculen in nog kleinere moleculen en bevorderen
de absorptie van voedingsstoffen.
De fysieke beweging en afbraak van voedsel
Verschillende spieractie van het maagdarmkanaal zorgt ervoor dat het voedsel van de mond
tot de anus beweegt peristaltische beweging.
De chemische afbraak van voedsel
Tijdens het chemische proces van de vertering, verdelen enzymen de voedingsstofen in
delen die klein genoeg zijn voor de absorptie.
Bij de vertering zorgen de enzymen voor hydrolyse (breken doormiddel van water).
Enzymen eindigen op –ase. Het enzym dat sucrose moet verteren heet sucrase.
Overzicht van de absorptie
Vitamines, mineralen en water hoeven niet verteerd te worden voordat ze kunnen worden
geabsorbeerd, maar de energievoedingsstoffen koolhydraten, eiwitten en vetten zijn te
groot om te worden geabsorbeerd en moeten eerst worden verteerd.
4 manieren om voedingsstoffen te absorberen
Passieve diffusie
Het bewegen van moleculen door het celmembraan zonder dat er energie voor nodig is.
Passieve diffusie vindt plaats doordat de ene kant van het eiwitkanaal een hogere
concentratie aan moleculen heeft dan de andere kant.
Hoe hoger de concentratie aan een kant hoe sneller de moleculen door het membraan
kunnen bewegen.
Omdat het membraan voornamelijk uit vet oplosbare substanties bestaat, kunnen vet en vet
oplosbare moleculen het membraan makkelijk passeren (bijv. zuurstof).
Factilitated diffusie
Hierbij worden speciale vervoerders gebruikt om een substantie te vervoeren door het
celmembraan (Bijv. fructose). Dit zijn eiwitten die in het celmembraan zitten.
Er kunnen alleen substanties van een hogere concentratie naar een lagere concentratie
vervoerd worden.
Actief transport
Een proces waarbij er energie nodig is om een substantie door het celmembraan te
vervoeren. Veel mineralen, een paar suikers en de meeste aminozuren worden vervoerd
doormiddel van actief transport.
3
, Endocytose
Een deel van het celmembraan vormt een laagje om de substantie zodat die geabsorbeerd
wordt en in het interieur van de cel wordt getrokken.
Ondersteunende organen
Speekselklieren
We hebben 3 paren speekselklieren die in of vlakbij de mond liggen.
De speekselklieren scheiden speeksel uit.
Speeksel zorgt ervoor dat er makkelijk gekauwd kan worden, maar bevat ook enzymen dat
het chemische proces van de vertering start.
We scheiden ongeveer 1,5 L speeksel uit per dag.
Lever
De lever produceert en scheidt 600 tot 1000 ml gal uit per dag.
Gal helpt bij het verteren van vet.
Gal bevat water, galzouten, galzuren, pigment, cholesterol, fosfolipiden en elektrolyten.
Gal smaakt bitter.
Gal doet zich voor als een emulgator om grote klodders vet in kleine klodders vet te
veranderen het oppervlakte van vet wordt vergroot.
Gal is opgeslagen in de galblaas.
Nadat gal zijn werk heeft gedaan, gaan de meeste galzouten terug naar de lever om daar
opnieuw gebruikt te kunnen worden.
De lever is ook een plek waar giftige stoffen worden gefilterd.
De lever is ook een opslagplaats voor vitamines, hormonen, cholesterol, mineralen en
suikers, die naar de bloedbaan worden vervoerd als dat nodig is.
Galblaas
De voornaamste taak van de galblaas is het opslaan van gal dat door de lever wordt
gemaakt. De galblaas ligt rechts onder de lever.
Tussen de maaltijden door is de galblaas meestal ontspannen, maar als er vetten in de dunne
darm komen stimuleren ze de productie van cholecystokinine (CCK). Dit is een hormoon in
de wand van de dunne darm. Cholecystokinine zorgt ervoor dat de galblaas de sfincter van
Oddi aanspant, waardoor er gal naar het duodenum kan (ongeveer 500 ml per dag). De
galwegen vervoeren ook spijsverteringsenzymen van de pancreas.
Pancreas
De pancreas scheidt enzymen uit die invloed hebben op de vertering en absorptie van
voedingsstoffen in de dunne darm. De pancreas scheidt ongeveer 1,5 L pancreassap uit per
dag dat vooral water bevat, bicarbonaat en verteringsenzymen.
De pancreas scheidt ook hormonen uit die betrokken zijn bij andere aspecten van het
lichaam.
De pancreashormonen insuline en glucagon reguleren bijvoorbeeld de glucosespiegel.
4