naar trainer
Inhoud
Deel 1. Ontwerpen.................................................................................................................................4
4. De diagnose....................................................................................................................................4
5. Een programma maken..................................................................................................................5
6. De kernoefening.............................................................................................................................6
7. De theorie: ontwerpen van de checklist.........................................................................................6
8. De tussenoefening..........................................................................................................................7
9. De nabespreking.............................................................................................................................8
10. Werken met praktijkopdrachten..................................................................................................8
11. Verleiden tot leren: de glijbaan..................................................................................................10
12. Wel pijn, geen vertrouwen: starten met discussie.....................................................................10
13. Geen pijn en vertrouwen: starten met confronteren.................................................................11
14. Leerstijlen...................................................................................................................................11
15. Plannen.......................................................................................................................................12
Deel 2. De uitvoering............................................................................................................................14
16. De voorbereiding........................................................................................................................14
17. Motiverend introduceren...........................................................................................................14
18. Confronterend starten................................................................................................................15
19. Presenteren................................................................................................................................16
20. Werken met discussies en denkvragen.......................................................................................17
21. Opdrachten begeleiden..............................................................................................................19
22. Kennismakers, afsluiters en energizers.......................................................................................20
Deel 3. Omgaan met lastige situaties...................................................................................................22
23. De start: je positie innemen........................................................................................................22
24. Omgaan met emoties van de groep............................................................................................23
25. Omgaan met lastige deelnemers................................................................................................24
26. Na de training: de val uit het paradijs.........................................................................................25
1
,Je taak als trainer is om de deelnemers iets te leren. Leren bestaat uit twee componenten: kunnen en
willen. Je eerste taak bij elke training en bij elk onderdeel is dus om deelnemers te verleiden het
nieuwe gedrag te willen. Je maakt gebruik van een introductie als de cursisten alleen maar op het
probleem kort hoeft te wijzen. Je maakt gebruik van een discussie als ze denken dat ze het niet
kunnen. Als de deelnemers helemaal geen probleem zien, moet je ze confronteren met hun eigen
gedrag. Al deze acties vormen de glijbaan van je trainingen. Met de glijbaan laat je deelnemers uit
hun praktijk in je training glijden.
Als mensen het nieuwe gedrag eenmaal willen, begint het leren van nieuwe vaardigheden, van het
kunnen. Deelnemers leren nieuwe vaardigheden in drie stappen:
1. Weten: de nieuwe ‘regels’ kennen, ze kunnen reproduceren. De uitleg van de theorie;
2. Snappen: De theorie kunnen verbinden aan voorbeelden, onderlinge verbanden zien en
koppelingen leggen met andere kennis die je al hebt. Dit is de ‘tussenoefening’;
3. Kunnen: Theorie kunnen toepassen in de praktijk en kunnen zegge dat je nieuwe
vaardigheden hebt geleerd. Dit is de kernoefening.
De drie stappen samen vormen een trap:
Een training bestaat meestal uit verschillende onderdelen: dus elke keer weer een glijbaan en een
trap, een glijbaan en een trap.
Je bepaalt de inhoud van je training aan de hand van een analyse van de deelnemers, wat ze nu niet
handig doen. Je maakt dus een diagnose van de situatie van de deelnemers aan de hand van deze
vragen:
- Welke situaties zijn lastig voor mijn deelnemers?
- Welk gedrag vertonen mijn deelnemers in die lastige situaties?
- Welk effect levert dat gedrag op?
Hierdoor onderzoek je waar het gedrag zit dat anders kan.
2
, Vanuit de diagnose maak je een globaal programma. In elk onderdeel ontwerp je de glijbaan en de
trap.
3