Differentiaaldiagnose:
Leeftijd
Alertheid
o Hoog articulatietempo
o Telescopie/ coalescentie (ineenschuiven van woorden)
o Overslaan van kleine woorden
o Semantische of syntactische fouten (bij snel spreken of schrijven, niet bij
rustig spreken/schrijven)
o Vastlopen in leesontwikkeling
o Meer fouten bij begrijpend lezen (terwijl de basis er wel is om het juiste
niveau van begrijpend lezen te hebben)
Wanneer jij een broddelaar vraagt om ‘beter’ te spreken, zal hij dit kunnen. Wanneer jij een
stotteraar dit vraagt, dan kan die dat niet.
Hoe ontspannener een stotteraar is; hoe beter het spreken gaat. Bij een broddelaar is dit
niet zo.
Communicatieangst kan voorkomen bij broddelen, maar soms ook niet.
Differentiaaldiagnose broddelen vs verbale ontwikkelingsdyspraxie
Zoekbewegingen die je VOD ziet, zie je bij een broddelaar alleen bij een te hoog
spreektempo
Diagnostiek:
Geen genormeerde onderzoeken om broddelen vast te stellen
Dynamisch onderzoek: observeren en uitschrijven van spontane spraak, hardop
lezen, navertellen van een verhaal
Verschillende opdrachten
Behandelplan:
Diagnostische oefeningen: oefeningen geven inzicht in de leermogelijkheden, en
motivatie van de cliënt. Broddelaar zal niet gauw zelf naar een logopedist stappen.
Mensen uit de omgeving zullen hem eerder motiveren naar de logopedist sturen.
Therapie: (na de diagnostische oefeningen)
Identificatieoefeningen: leren herkennen van broddelsymptomen
Oefeningen passend bij cliënt (motorische broddelaar: werken aan
spreekritme en melodie). Linguïstische broddelaar: werken aan formulering
en pragmatiek
Weerstand: motivatie is wel cruciaal om aan verbeteringen te werken.
, Kennisclip modellen bij stotteren en broddelen
Stotteren:
- Erasmus-viercomponentenmodel van Stournaras
- Verwachtingen- en mogelijkhedenmodel van Starkweather
- Klinisch werkmodel van Bertens
Broddelen:
- Verklaring volgens model van Levelt
- Verklaring volgens het viercomponentenmodel van Stournaras
Erasmus-viercomponentenmodel van Stournaras
Dit model verklaart niet het bestaan van stotteren, maar helpt omtrent de behandeling van
stotteren
Iedere component in dit model KAN van invloed zijn op andere componenten. De ene
component kan ook een andere uitlokken/versterken. Kan allemaal op elkaar van invloed
zijn.
Sociale component & verbaalmotorische component: dit merk je aan de buitenkant bij een
stotteraar.
Emotionele component & cognitieve component: dit is de binnenkant van de cliënt.
Verbaalmotorische component: gedragingen die de stotteraar vertoont om het stotteren uit
de weg te gaan. Denk aan meebewegingen die eventueel gemaakt worden. Deze
meebewegingen (knipperen met ogen, bewegen met handen, etc.) worden beïnvloed door
de cognitieve en emotionele component. Wanneer iemand bijvoorbeeld zenuwachtig is,
heeft dit ook invloed op de motoriek.
Cognitieve component: negatieve gedachten die zich hebben gevormd voor het stotteren.
Zelfbeeld kan daardoor negatief beïnvloed worden.