Periode 2 (Thema 5)
Meeste inclusief zelfstudietaken
Thema 5
Tractus respiratorius – Thorax (coAFP1)
Tractus respiratorius: de luchtwegen
3 holtes:
- Abdomen
- Thorax
- Pelvis
NB boek: borstholte (thorax), bovenste buikholte (abdomen), onderste bekkenholte (pelvis).
Functie: Bescherming tegen schokken (rennen en springen) en beweging organen mogelijk maken.
Kegelvormige holte die bescherming geeft maar waarin toch beweging mogelijk is. (ademen)
Boven: eerste rib, onder diafragma. Voor: sternum (ribben), achter: wervels (ribben).
Diafragma (gespierde middenrif met peesblad: uitleggen structuren die daardoor lopen; vena cava,
aorta en oesophagus.
NB vena cava en aorta lopen door het pezige gedeelte, zodat deze niet worden dichtgedrukt bij het
ademen. Voor de oesophagus is dat niet van belang, die gaat door spier gedeelte.
Longen liggen in de thorax. De thorax heeft een aantal anatomische grenzen. Sleutelbeenderen,
sternum, achterkant wervels. Ondergrens diafragma. Deze holte in het lichaam heeft geen vaste
vorm, maar kan bewegen. De holtes zijn voor de venen.
De longen komen nog boven het sleutelbeen uit.
Thorax: bescherming
Hart, longen, slokdarm, luchtpijp, grote vaten.
Mediastinum: plek tussen de longen. (bindweefselmassa die borstholte in 2 longholten verdeelt)
liggen: hart, luchtpijp, slokdarm en de grote vaten.
Volume vergroting
Wordt bepaald door diafragma (expiratie, inspiratie) Diafragma vlakt naar beneden af bij inademen.
Recessus costodiaphragmaticus, puntje onderaan het diafragma, belangrijke plek om naar te kijken
bij röntgen.
Tractus respiratorius essentieel! Verplaatsen van lucht het lichaam in en uit. Bewust als onbewust.
,Functies;
- Verplaatsen van lucht van en naar het gaswisselingsoppervlak
- Oppervlak voor de gaswisseling
- Bescherming gaswisselingsoppervlak
- Vorming van geluiden
- Reukzin bevorderen
(Geleiding van lucht)
Cavum nasi - neusholte
Pharynx - keelholte
Larynx - strottenhoofd
Tracea - luchtpijp
Pulmones - longen
Bronchien – (vertakking trachea)
(Gaswisseling)
Bronchioli - doorgangen
Alveoli - longblaasjes
Cavum nasi (neusholte)
Conchae nasalis superior, conchae nasalis media, conchae nasalis inferior.
De neus, pharynx, larynx, trachea, bronchiën en de grootste bronchiolen vervoeren de lucht naar de
longen.
Concha latijn: mossel of schelpdier.
Conchae: neusschelpen. Zorgen voor luchtcirculatie. Hierdoor betere verwarming, filtratie en
bevochtiging.
Pharynx (Keelholte):
Nasopharynx (sluit aan bij de neus, komt alleen lucht langs)
Oropharynx (achter de mond, gaat ook voedsel langs)
Laryngopharynx (ook lucht en voedsel, bij strottenhoofd)
, Het strottenhoofd (Larynx):
Vanuit Pharynx komt de ingeademde lucht bij de Larynx: strottenhoofd.
Begrensd door kraakbeen. Glottis (stemspleet). Daarboven ligt de epiglottis: strotklepje, sluit af bij
slikken, zodat je je niet verslikt.
Glandula Thyroidea = schildklier, ligt voor strottenhoofd.
Trachea (luchtpijp):
Kraakbeenachtige structuur van de larynx gaat door. C-vormige ringen, om dik stuk eten erlangs te
kunnen laten. Verder staat de oesophagus dicht, maar de luchtpijp moet wel openstaan. Dus
kraakbeen om open te houden. Als je slikt adem je toch niet, dus kan er wel even een dik stuk langs.
Hoefijzervorm heeft een functie. De oesophagus kan opzwellen door een stuk eten. De trachea
vertakt zich in de primaire bronchus, die vertakken zich in secundaire bronchi, en de tertiaire
bronchi.
Bronchi:
Bronchie kunnen vertakken, primaire bronchi, tertiaire bronchi
Oppervlakte trachea en bronchi
- Trilhaarepitheel: stofjes eruit, verplaatsen slijm
- Slijmbekercellen: maken slijm
- Witte bloedcellen: afweer
Bronchiolen is een verkleinwoord van bronchus. 10 á 15 vertakkingen.
De kleinste bronchiolen en de alveoli in de longen vormen het gaswisselingsgedeelte van de
luchtwegen.
Terminale bronchoilus (hier houden de vertakkingen op) mond uit in de longblaasjes.
Alveoli:
Alveolus = longblaasje (1 zo’n bolletje) Ductus alveolaris, voorziet groepje alveoli van lucht.
Macrofagen voor afweer.