Burgerlijk
Procesrecht
Radboud Universiteit Nijmegen
RADBOUD UNIVERSITEIT NIJMEGEN | BACHELOR RECHTSGELEERDHEID
,Hoofdlijnen Burgerlijk Procesrecht
Art. 30a Rv: verplichting indienen procesinleiding
Art. 79 Rv: verplichte procesvertegenwoordiging door advocaat – m.u.v. kantonzaken!
Rechterlijke competentie
1. Absolute competentie: bij welke soort rechter moet je zijn?
a. Art. 42 RO: i.b. de rechtbank, afdeling civiel in eerste aanleg. Uitzonderingen:
i. Art. 93 Rv: de kantonrechter: tot €25.000 of arbeidsrecht
ii. Art. 254 Rv: de voorzieningenrechter in kort geding: spoedeisende
zaken waarin onmiddellijk voorziening bij voorraad wordt vereist
2. Relatieve competentie: welke rechter is geografisch bevoegd?
a. Dagvaardingsprocedure Art. 99 Rv: rechter van woonplaats gedaagde
bevoegd. Uitzonderingen erna.
b. Verzoekschriftprocedure Art. 262 Rv: rechter van woonplaats verzoeker
bevoegd. Uitzonderingen erna.
ADR (Anders Dan Rechtspraak/Alternative Dispute Resolution) kan alleen op vrijwillige basis.
Kenmerken overheidsrechtspraak en verschillen met ADR:
Rechter hakt knopen door
Rechter beslist puur o.b.v. rechtsregels, ‘juridische merites’ (kijkt niet naar andere
oplossing)
Rechter kijkt naar verleden (kan geen rekening houden met gebeuren in toekomst)
Je kunt de rechter niet uitkiezen (geen invloed op persoon)
Procedure is i.b. openbaar
Procedure is kostbaar en duurt nog steeds vrij lang
Escalerende werking die inherent is aan de procedure
Drie vormen van ADR (Anders Dan Rechtspraak):
1. Arbitrage: art. 1020 Rv: particuliere rechtspraak. Partijen wijzen een of meer
arbiter(s) aan. Deskundigheid kan een rol spelen. Arbitrage is servicegerichter,
overheidsrechtspraak is strikter in termijnen. Zou sneller moeten gaan, maar soms
duurt het lang (meervoudige arbitrage). Geen verplichte procesvertegenwoordiging,
maar dit zie je eigenlijk altijd wel. Belangrijk (voor bedrijven): geen openbaarheid.
2. Bindend advies: geen wettelijke regeling: lijkt op arbitrage, maar is informeler en je
ziet het in eenvoudigere geschillen.
3. Mediation: vorm van conflictoplossing waarin partijen zelf tot een oplossing komen
m.b.v. een onafhankelijke, onpartijdige derde – de mediator – die slechts het proces
van communicatie tussen de partijen begeleidt. Partijen naar elkaar toe brengen,
maar partijen moeten zelf het werk doen. Vrijwilligheid partijen belangrijk.
Geheimhouding: verklaring getekend, ook als ze voor de rechter komen blijft het
geheim. Er wordt vooral vooruit gekeken i.p.v. achteruit. Mediator houdt rekening
met achterliggende belangen. Mediation vooral geschikt wanneer partijen een
gemeenschappelijk belang hebben en met elkaar verder moeten/willen.
Let op: verschil geschilbeslechting en geschiloplossing. Overheidsrechtspraak, arbitrage,
bindend advies: een derde hakt de knoop door. Mediation: tot geschiloplossing komen.
1
,Hoofdbeginselen van procesrecht Art. 6 EVRM: fair trial
1. Onafhankelijke en onpartijdige rechter
Rechter t.o.v. overheid: trias politica (politiek kan rechter niet ontslaan)
Rechter t.o.v. partijen: open en onbevangen beslissing nemen en geen banden met
de partijen. Enige schijn van partijdigheid vermijden.
Twijfel aan onpartijdigheid? wraking: art. 36-39 Rv. Wrakingskamer beslist. Let op, wel
uiterste middel. Keerzijde: verschoningsrecht: art. 40-41 Rv: rechter geeft zaak terug omdat
hij twijfelt of onpartijdigheid/onafhankelijkheid in het geding komt.
2. Hoor en wederhoor
Twee aspecten:
1. Recht op rechterlijk gehoor: gelijkheidsbeginsel: horen in gelijke mate.
2. Art. 19 lid 1 Rv: andere partijen hebben het recht weerwoord te geven.
‘Oral hearing’ verankerd in art. 6 EVRM: pleidooi belangrijke vorm!
Drie arresten m.b.t. hoor en wederhoor:
HR Bistro ’t Plenske: de rechter moet het recht op pleidooi i.b. toewijzen. Er moeten
klemmende redenen zijn om dit niet te doen. Enkele omstandigheid dat een partij de
schriftelijke ronde voorbij heeft laten gaan is onvoldoende om geen recht op pleidooi
toe te wijzen.
HR Weef c.s./Artesia: verzoek om pleidooi mag worden afgewezen in zeer
uitzonderlijke gevallen. Noodzakelijk is dat:
o Wederpartij klemmende redenen daartoe heeft aangevoerd of
o Toewijzing van het verzoek i.s.m. de eisen van de goede procesorde is
Rechter moet afwijzing deugdelijk motiveren.
HR Verhoeven c.s./Staat: uitgangspunt is mondelinge behandeling voor de rechter
die beslist. Als dit i.v.m. omstandigheden niet lukt, hebben de partijen i.b. recht op
een nieuwe mondelinge behandeling.
Onder KEI: pleidooi geen zelfstandige rechtsfiguur meer. Mondelinge behandeling als hart
van procedure (art. 30j-KEI e.v. Rv). Uitgangspunt: in iedere procedure mondelinge
behandeling na eerste schriftelijke procedure. Rechter moet art. 30k lid 1 Rv toepassen:
partijen in gelegenheid stellen hun stellingen toe te lichten. HB: art. 360a Rv (KEI): in eerste
aanleg krijg je mondelinge behandeling, in HB moet je erom vragen. Gedachte hierachter is
dat er geen herhaling hoeft plaats te vinden in HB.
HR Dipasa Europe/Huyton: beide partijen moeten voldoende gelegenheid krijgen voor
kennisneming van en uitlating over ingebrachte stukken. De rechter dient er ook ambtshalve
op te letten dat deze regel wordt nageleefd.
3. Openbaarheid uitspraak en terechtzitting
Art. 27 Rv: de zitting is openbaar, enkele uitzonderingen in dit artikel: maar rechter is
terughoudend met honoreren van de uitzonderingen! Openbaarheid in het licht van een
belang van transparantie van de rechtspraak (overheid controleren).
2
, 4. Redelijke termijn
Redelijke termijn is belangrijk omdat je wanneer je een geschil hebt als partij een reëel
belang hebt bij dat je binnen een redelijke tijd weet waar je aan toe bent. Termijn in KEI-
wetgeving waar rechter naar streeft.
5. Motivering
Art. 30 Rv jo. art. 230 Rv (jo. art. 287 Rv): rechter moet zijn uitspraak van een deugdelijke
motivering voorzien. Je moet zien op basis waarvan je (on)gelijk hebt gekregen. 2 aspecten:
1. Transparantie naar partijen (o.a. kijken naar argumenten voor HB)
2. Controle door publiek en collega-rechters
6. Toegankelijke rechtspleging
1. Uitgangspunt: je kunt terecht bij de burgerlijke rechter als je stelt te zijn aangetast in
een burgerlijk recht. Uitzonderingen: misbruik (proces)recht, art. 3:13 BW en geen
rechtens te respecteren belang. Uitzonderingen worden niet snel aangenomen.
2. Uitgangspunt: je betaalt nooit de werkelijke kosten van de rechtspraak als je gaat
procederen, maar het griffierecht (gerelateerd aan belang zaak).
Wederpartij veroordeeld in betaling kosten: moet de forfaitaire kosten betalen: kosten
berekend via puntensysteem gekoppeld aan proceshandelingen. Mediation kan goedkoper
zijn, dan heb je maar één kostenpost namelijk de gezamenlijke mediator.
7. Goede procesorde: functioneert als vangnetbeginsel
8. Zorgvuldigheidsbeginsel: waarheidsplicht (art. 21 Rv)
Beslissing van de rechter moet op de waarheid/werkelijke feiten zijn gebaseerd. De partijen
hebben de verplichting om de rechter over de werkelijke feiten te informeren, zelfs als dit
ten nadele van hun eigen positie werkt: art. 21 Rv. Dit omdat het onacceptabel zou zijn en
afbreuk zou doen aan het gezag van rechterlijke uitspraken als de rechter niet o.b.v. de
werkelijkheid oordeelt.
9. Partij-autonomie
Initiatief procedure ligt bij eiser en de verweerder reageert hierop. Rechter is daar i.b. aan
gebonden en is gebonden tot wat partijen aanvoeren: art. 24 Rv. HR Poort c.s./Stoppels: de
rechter mag zijn beslissing niet baseren op rechtsgronden of verweren die zouden kunnen
worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten en omstandigheden, maar niet door de
desbetreffende partij aan haar vordering of verweer ten grondslag zijn gelegd. Juridische
grondslagen mag hij aanvullen (art. 25 Rv), maar feiten niet!
Art. 149 Rv: rechter mag zijn oordeel uitsluitend baseren op feiten die in het geding zijn
aangedragen (lid 1). Uitzondering: feiten van algemene bekendheid en algemene
ervaringsregels behoeven géén bewijs (lid 2). Feiten van algemene bekendheid = feiten of
omstandigheden die ieder normaal ontwikkeld mens kent of uit voor een ieder toegankelijke
bronnen kan kennen. Feiten die door ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet zijn
betwist, moet de rechter als vaststaand beschouwen: gaat om de formele waarheid en niet
om de materiële waarheid. Aansluiting bij waarheid is wel belangrijker geworden.
Art. 24 Rv jo. 149 Rv: rechter heeft taak recht toe te passen o.b.v. vaststaande feiten.
3