Investeringsselectie
De focus ligt bij investeren op de reële activa. Daar valt namelijk waarde te creëren, omdat reële
markten imperfect zijn. Dit betekent dat sommige mensen deze markt erg goed kennen en de
ondernemer kan hier dus voordelen mee behalen. Capital budgeting is de Engelse term die wordt
gebruikt voor het plannen, evalueren, vergelijken en selecteren van lange termijn projecten. Er zijn
zeven financiële selectiemethoden te onderscheiden.
De eerste is de Boekhoudkundige Rentabiliteitsmethode. Dit is de ratio van de
boekhoudkundige winst (“Average Accounting Rate of Return”) en het geïnvesteerde vermogen
over een bepaalde periode. In formule:
Er zijn wel een aantal bezwaren te noemen voor de boekhoudkundige rentabiliteitsmethode. Zo
zijn de tijds- en risicowaarde niet meegenomen en is de boekhoudkundige rentabiliteit afhankelijk
van verslaggevingsregels. Daarnaast is het onduidelijk wat je moet doen wanneer er sprake is van
een grensgeval.
De tweede methode voor investeringsselectie is de Terugverdientijdmethode. Deze methode
geeft weer hoe lang het duurt voordat de initiële investeringsuitgave is terugverdiend. Een bezwaar
van deze methode is dat er geen directe relatie wordt gelegd met de (tijds-) waarde. De
kasstromen na de terugverdienperiode worden niet in beschouwing genomen, terwijl deze wel
relevant zijn. Een laatste bezwaar is dat er geen duidelijke grens ligt voor de terugverdientijd. Bij
deze methode geldt hoe sneller iets terugverdiend wordt, hoe beter het project is.
De derde methode is de Gedisconteerde Payback methode. Deze methode geeft weer hoe lang
het duurt voordat de initiële investeringsuitgave met gedisconteerde kasstromen is terugverdiend.
Dit is dus een variant van de hierboven beschreven terugverdientijdmethode. Ook hier gelden
dezelfde bezwaren: er is geen duidelijk grens en de kasstromen na de terugverdienperiode zijn
ook relevant.
De Netto Contante Waarde methode is een vierde selectiemethode. De Netto Contante Waarde
is de contante waarden van de voordelen minus de contante waarden van de nadelen. De NCW
methode houdt rekening met de kasstromen, tijd en het risico. In formule:
CF1 CF2 CFn
NCW I 0 ...
1 r 1 r 2
1 r n
n
CFt
NCW I 0
t 1 1 r t
De netto contante waarde is de overwaarde van de investering. Wanneer de NCW dus groter is
dan 0 mag men investeren. Wanneer de NCW negatief is (dus NCW<0) wordt investeren
afgeraden.
De vijfde investeringsselectiemethode is de Interne Rentabiliteit (IR of IRR) en is de
rendementsvoet die maakt dat de netto contante waarde 0 is. De interne rentabiliteit is het
gemiddelde rendement per geïnvesteerde euro. De regel die hierbij geldt is dat er geïnvesteerd
kan worden als de IRR groter is dan het geëiste rendement op het geïnvesteerde vermogen. De
IRR kan als volgt berekend worden:
CF1 CF2 CFn
I0 ... 0
1 IRR 1 IRR 2
1 IRR n
Als 50 50en de Interne Rentabiliteit vergelijkt, blijkt dat alleen de NCW-methode
Vb :men
80de NCW methode
0 IRR 16% (afgerond)
IRR
zowel werkt1 bij 1 IRRen2onafhankelijke projecten. Bij afhankelijke projecten is onderlinge
afhankelijke
vergelijking nodig. Men kiest dan het project met de hoogste NCW. Onafhankelijke projecten
beïnvloeden elkaar niet en men kiest dan de projecten die een positieve NCW hebben. De IRR-