Toates - Biological Psychology
CH1
- Darwin: de soorten zoals die vandaag bestaan zijn voortgekomen uit simpelere
versies hiervan, dus de soorten zoals die vandaag bestaan zijn succesvol geweest in
de competitie voor overleving.
CH2
- Fitness wordt gebruikt als maatstaf om aan te geven hoe succesvol een dier is in het
doorgeven van zijn genen die voor levensvatbare nakomelingen kunnen zorgen.
Door natuurlijke selectie wordt er door deze voortplanting voorkeur gegeven aan
gedrag van dieren dat deze ‘fitness’ bevordert.
- Aanpassing aan de omgeving betekent dat een bepaald kenmerk van gedrag of van
het lichaam goed past in de leefomgeving. De dieren die met hun aanpassing de
beste fit hebben overleven en geven deze genen weer door.
- Een eigenschap die wordt doorgegeven door natuurlijke selectie is echter niet altijd
meer functioneel in de huidige omgeving.
- Daarnaast kan een eigenschap zich ook om een andere reden ontwikkeld hebben
dan voor de functie die wij er nu van observeren.
- Natuurlijke selectie kan niet plaatsvinden voor elke eigenschap die een positief effect
heeft
- Elk gedrag heeft voor- en nadelen.
Pinel - Biopsychology
2.2
- Darwin stelde dat soorten evolueren vanuit voorgaande soorten
- Volgens Darwin zijn er 3 soorten bewijs voor de evolutie:
1. Hij bewees de evolutie van fossiele vondsten in recente geologische
lagen
2. Hij beschreef opvallende structurele overeenkomsten tussen levende
soorten (bijv. een mensenhand, een vogelvleugel en een kattenpoot)
waaruit hij concludeerde dat deze soorten voort kwamen uit
gemeenschappelijke voorouders.
3. Grote veranderingen zouden komen door huisdieren en -planten
doordat er bij deze soorten aan selectieve voortplanting werd gedaan.
- Het meest overtuigende bewijs van de evolutie komt vanuit directe observaties van
een snel plaatsvindende evolutie, zoals bij de vinken op de Gálapagos eilanden.
- Darwin stelt dat evolutie plaatsvindt door natuurlijke selectie. Elke soort heeft een
andere structuur, fysiologie, gedrag en kenmerken van de leefomgeving die
kenmerkend zijn voor een hoge overleving en voortplanting. Deze natuurlijke selectie
veroorzaakt de evolutie: soorten raken beter aangepast aan het overleven en het
voortplanten in hun specifieke omgevings ‘niche’.
- betekenis niche= Positie of status van een organisme in een ecosysteem .
Deze wordt bepaald door het geheel van structurele en functionele
aanpassingen die de soort nodig heeft om te overleven en zich voort te
planten. Elke niche is het resultaat van een voortdurend proces van
concurrentie, aanpassing en selectie dat optreedt als verschillende soorten
strijden over de beschikking van dezelfde bron. De niche van veldmuizen
bijvoorbeeld is dat zij enerzijds voedselbron zijn voor uilen en anderzijds hun
, functie als planten- en zadeneters.
Een verwant begrip is habitat waarmee het concrete woongebied van een
soort in ruime zin wordt bedoeld (bijvoorbeeld het waddengebied).
- Darwin noemde het proces natuurlijke selectie om de overeenkomst aan te geven
met het kunstmatige kweken/fokken door fokkers van huisdieren.
- Fitness= de mogelijkheid van een organisme om te overleven en met zijn genen bij
te dragen aan de volgende generatie
- Sociale dominantie is een belangrijke factor in de evolutie. Zo is het zo dat bij
sommige soorten de dominante mannetjes meer paren dan nondominante
mannetjes, waardoor de dominante mannetjes effectiever zijn in het doorgeven van
hun eigenschappen aan volgende generaties. Ook is het zo dat bij sommige soorten
de dominante vrouwtjes een grotere kans hebben om meer en gezondere
nakomelingen te produceren.
2.3
- Darwin begreep echter 2 belangrijke feiten niet waarop zijn evolutietheorie was
gebaseerd. Als eerste begreep hij niet waarom soortgenoten van elkaar konden
verschillen. Ten tweede begreep hij niet hoe anatomische, fysiologische en
gedragseigenschappen doorgegeven worden van ouders naar kinderen.
- Mendel had een manuscript geschreven die de antwoorden hierop bevatte. Hij
bestudeerde het proces van overerving in erwtplanten, waaruit hij twee beslissingen
maakte.
- Hij begon met het bestuderen van dichotome eigenschappen
- Hij begon zijn experimenten met het kruisen van nakomelingen van echte
foklijnen
- Dichotome eigenschappen= eigenschappen die plaatsvinden in de ene of de
andere vorm, maar nooit in combinatie met elkaar (bijvoorbeeld een erwtenplant:
heeft altijd bruine óf witte zaadjes)
- Echte foklijnen= foklijnen waarin ‘interbred members’ altijd nakomelingen
produceren met dezelfde eigenschap (bijv. bruine zaadjes), generatie na generatie.
- Door zijn experimenten van het kruisen met foklijnen van bruine zaadjes met die van
witte zaadjes kwam Mendel erachter dat er dominante eigenschappen en
recessieve eigenschappen zijn. De dominante eigenschappen kwamen voor bij alle
nakomelingen van de eerste generatie; de recessieve eigenschappen kwamen voor
bij ongeveer ¼ van de tweede generatie. Dit is vergelijkbaar met het ‘kruisen’ van
bruine (dominant) en blauwe (recessief) ogen bij mensen.
- Het resultaat van dit experiment stelde het centrale uitgangspunt op proef met alle
ideeën waarin nakomelingen de eigenschappen van hun ouders erven.
- Fenotype= de observeerbare eigenschappen van een organisme
- Genotype= het genetisch materiaal dat soorten aan hun nakomelingen kunnen
doorgeven
- Mendel bedacht een theorie om zijn resultaten te verklaren, met daarin 4 kernideeën:
1. Er zijn twee soorten van overgeërfde factoren voor elke dichotome
eigenschap (dus bijv.: een bruine-zaad factor en een witte-zaad
factor hebben samen controle over de zaadkleur) → nu wordt een
erfelijke factor een gen genoemd.
2. Elk organisme heeft twee genen voor elk van zijn dichotome
eigenschappen (bijv. 1 wit/1 bruin, 2 wit, 2 bruin) → twee genen die
samen dezelfde eigenschap beïnvloeden heten allelen. Organismen
, die twee identieke genen hebben voor een eigenschap zijn homozygoot voor
deze eigenschap; de organismen die twee verschillende genen hebben voor
een eigenschap zijn heterozygoot.
3. Eén van de twee soorten genen van elke dichotome eigenschap domineert
de ander bij heterozygote organismen (bijv. bruin is altijd dominant boven wit
bij zaadplanten).
4. Voor elke dichotome eigenschap erft een organisme één van de twee
factoren van zijn vader en de andere van de twee factoren van zijn moeder
(dit gebeurt random).
Ramaekers, S. & Suissa, J. (2012). Good Enough Parenting?
Kritiek
- Het is niet mogelijk om een enkel punt te identificeren waarmee je kunt concluderen
dat de ouder-kindrelatie heeft ‘gewerkt’
- Ouders hebben soms al voor de geboorte van hun kind de neiging om te
dromen/wensen hoe hun kind zich zal ontwikkelen. Deze vorm van paternalisme is
enigszins in strijd met de responsieve, ontvankelijke houding die ouders zouden
moeten hebben als je op een ethische manier naar zorgzaamheid kijkt (Goodman)
- Deze wensen kunnen wel worden goedgekeurd als deze zich uiten in een
‘prisma van aandachtige liefde’
- Ouders handelen in een sociale wereld waardoor het niet makkelijk is om het causale
verband aan te tonen tussen het gedrag van ouders en de ontwikkeling van het kind
- De verwaarlozende opvoedstijl is niet zozeer een ‘stijl’, maar meer een indicatie
van het falen van ouders om goed voor hun kinderen te zorgen
- Alle momenten die ouders ervaren tijdens het opvoeden van hun kinderen sluiten
nooit precies aan bij een al bestaande beschouwing van het ouderschap. Daarom is
het ingewikkeld om de mogelijke reacties van ouders te identificeren, onafhankelijk
van een contextueel begrip van de betekenis van de situatie voor de ouder en het
kind
- Een groot gedeelte van het ouderschap heeft weinig te maken met concrete
gedragingen als regels rondom bedtijd of ruzie tussen kinderen. Veel gedrag van
ouders draait vooral om denken, zich afvragen, zorgen maken, overleggen,
interpreteren en opnieuw interpreteren
- Hoghughi & Speight: het heeft geen zin om perfectie van ouders te verwachten,
omdat dit de inspanningen ondermijnt van het grootste deel van de ouders die in alle
praktische aspecten ‘goed genoeg’ zijn om aan de behoeftes van hun kinderen te
voldoen
- ‘Good enough mother’(Winnicott)= bijna complete aanpassing aan de behoeftes
van het kind, door de tijd heen past ze zich minder en minder volledig aan zodat het
kind de mogelijkheid heeft om te groeien en om om te gaan met haar falen. Zo kan
het kind zijn eigen autonomie ontwikkelen. In tegenstelling tot een perfecte moeder
werkt dit beter voor de ontwikkeling van het kind, omdat een moeder die
blijft inspelen op álle behoeftes van het kind kan leiden tot een beperkte
ontwikkeling van het kind. → graduate failure of adaptation= de moeder heeft
een warme en liefdevolle houding maar voldoet niet altijd meteen aan alle behoeftes
van het kind. Hierdoor leert het kind om toleranter te worden voor langere periodes.
- Een ‘good enough parent’ wordt niet beoordeeld op resultaten of door de
beheersing van verschillende vaardigheden, maar door een bepaalde manier van
, doen.
- De kwaliteit van de ouder-kind relatie is erg belangrijk → ouderschap is
een kunst die beschikbaar is voor elk mens, niet iets dat je leert door te
luisteren naar opvoedexperts
- Het proces en de kwaliteit van de ouder-kind interactie zijn dus veel belangrijker dan
de resultaten.
- Het is onhaalbaar om je kind perfect op te voeden, maar het is wel mogelijk om een
‘good enough parent’ te zijn. Dit houdt in dat je je kind goed opvoedt, door de
fouten die we in de opvoeding maken (vaak veroorzaakt door de intensiteit van onze
emotionele betrokkenheid bij het kind) meer dan gecompenseerd moeten worden in
de instanties waarin we ons kind wel goed behandelen.
- De term good enough parenting is recentelijk ontdaan van de anti-
perfectionistische betekenis en ethische context en is opnieuw gedefinieerd binnen
het beleidsveld als een andere opvoedstijl
- Wordt gekarakteriseerd door gematigde hoeveelheid van verwachtingen,
discipline en responsiviteit
- Het idee van het ouderschap is dat je een bepaald type kind grootbrengt; het idee
van goed ouderschap is dat je het juiste type kind grootbrengt (een goed kind, dus
niet alleen een ‘goed genoeg’ kind)
- De beweging van beleid en populaire literatuur heeft de neiging om good parenting
te definiëren op basis van wat ouders doen en wat daarbij onder ‘good parenting’ zou
vallen op basis van goede resultaten; dit ondermijnt juist de essentie van good
enough parenting
- Benaderingen van good parenting zijn bijna allemaal verwant aan sociale
bewegingen
- Furedi: minimalistische interpretatie van het idee good enough parenting → dat
wat goed is voor individuele ouders is per definitie ‘goed genoeg’, oftewel:
zolang je als ouder je best doet voor je kind heb je geen professionele hulp
nodig. Niemand kent jouw situatie met je kind namelijk beter dan jij zelf,
dus je kunt net zo goed doen wat je zelf denkt dat goed is. Echter haalt
Furedi op verschillende punten zijn eigen verwerping wel onderuit door
alsnog voorbeelden te geven van wat specifiek good parenting is. Deze hele
discussie toont eigenlijk aan dat het onmogelijk is om een goed beeld te geven van
‘good parenting’
- Appiah: als we het welzijn van mensen willen verbeteren moeten we minder nadruk
leggen op moraal onderwijs en meer aandacht geven aan het vormgeven van sociale
instellingen waarmee mensen niet in sociale situaties worden geplaatst waarin ze
slecht zullen handelen.