Voorbeeld ‘Pieter wordt gepest’
- Impact op zijn gedrag → boos, teruggetrokken, bang, verdrietig, verstijven, vechten,
vluchten
- Impact op zijn cognitie → verlaagde schoolprestaties, afgeleid, verminderde
motivatie, problemen met huiswerk (concentratie, geheugen)
- Impact op zijn fysiologie/biologisch → stresshormonen, moe → slaapgebrek,
buikpijn/hoofdpijn door spanning, zweethanden, hoge bloeddruk
→ aspecten hangen samen, kunnen onderliggende verklaring geven. Omgeving staat hier
ook mee in verband.
Andere voorbeelden
- Borstvoeding → afgegeven hormonen → hechting van het kind
- Ondervoeding → ontwikkelingsachterstand, groeiachterstand → sociale en
emotionele ontwikkeling
- Roken, nicotine → beïnvloedt aandacht en geheugen
Indeling colleges
1. Intro & communicatie in brein HC
a. Evolutie & Good Parenting WC
2. Genetica & hersenanatomie HC
a. Zenuwcellen WC
b. Anatomie van het zenuwstelsel WC
c. Ontwikkeling van het zenuwstelsel WC
3. Emotie, stress en ontwikkeling HC
a. Leren & geheugen WC
b. Emoties WC
c. Stress WC
4. Slaap en geheugen HC
a. Veerkracht WC
5. Responsiecollege → behandeling discussievragen
Tentamen
4 oktober
Mulitplechoice-vragen
Slaging 70-85%
Cedo Nulli
Studiegroepen → student van het vak die het al met een hoog cijfer gehaald heeft helpt voor
het tentamen met studeren
www.cedonulli.nl
Communicatie in de hersenen
Communicatie
- zenuwstelsel → globale communicatie in het brein kennen hiervan
- neuronen zijn zenuwcellen. Spelen overal een belangrijke rol bij (reflexen,
zintuigen, etc.)
- Perifeer → spieren
- autonoom: regelt interne processen als hartslag, temperatuur. Weinig
controle hierover (onwillekeurig)
- Sympatisch: de actiestand, je wordt aeactiveerd om iets te
doen
, - Parasympatisch: vooral actief in rust, herstel, weinig energie
voor nodig.
- Balans hiervan: vaak één van de twee actief.
- somatisch: uit zintuigen vandaan, activering vanuit je spieren speelt
hierbij een rol. Hier is (enige) controle over (willekeurig)
- hormonen
Bouwstenen
Gliacellen ondersteunen neuronen in activiteit: op hun plek houden, afvalstoffen opruimen,
vormen van isolatie om de neuronen heen. Veel gliacellen in centrale zenuwstelsel.
Neuron
Soma= cellichaam met daarin celkern. Hierin wordt celhuishouding geregeld.
Axon= via hier gaat communicatie naar andere cellen: bijv. neuronen of spiercellen
(motorneuron)
Dendrieten= belangrijk voor communicatie naar neuron
Myelin= vetachtige stof om signaaloverdracht binnen een cel te versnellen. Snellere
informatieoverdracht. Myelineschede. Bij MS is er een beschadiging aan deze schede,
waardoor signaaloverdracht wordt verstoord. Dit kan zich op verschillende manieren uiten,
afhankelijk van waar de schade optreedt.
3 typen neuronen
Sensorisch neuron= vervoert van zintuigen naar het brein. Hier wordt het verwerkt om erop
te kunnen reageren. Werking hiervan is vergelijkbaar met een ‘typische neuron’. Op plaatje
is een stukje huid te zien: sensaties op de huid wordt door axon naar hersenen doorgegeven
om gedrag te kunnen uitvoeren (bijv. hand kunnen terugtrekken bij hitte)
Motorneuronen= communicatie van het brein naar de spieren → in beweging komen. Op
plaatje eindigt de neuron op de spier (komt vanuit brein), geeft actie voor de spier door.
Axon is hier vrij lang (bijv. 1 meter), bijv. voor in je vingers.
Interneuronen= neuronen als schakels tussen zenuwcellen
Communicatie binnen neuron
Elektrisch signaal, werkt via een actiepotentiaal.
Filmpje: potentiaal betekent dat positieve en negatieve deeltjes gescheiden worden
gehouden (dus er is een verschil). Als voorbeeld: batterij. Dit kan ook in een cel, waarbij het
wordt uitgedrukt in milivolt (volt/1000). Membraanpotentiaal= 2 compartimenten die
gescheiden worden met verschillende concentraties ionen. Hierdoor diffusie van ionen
(ionenflux). Dit hangt af van verschillende factoren. Kalium is binnen de cel hoger (28x),
Natrium is buiten de cel juist hoger (14x). Bij diffusie gaat natrium de cel in, kalium gaat de
cel uit. Dit gaat via natrium-kaliumpomp. Rustpotentiaal: intracellulair relatief negatief
geladen. Potentiaalverschil beïnvloedt permeabiliteit van het celmembraan. Bij
drempelwaarde wordt een poortje open gezet waardoor natrium zich makkelijker verplaatst.
Actiepotentiaal:
- eerst natrium erin
- daarna kalium eruit
Hyperpolarisatie= doorschieten van hoeveelheid negatieve lading, herstelt zich hierna
weer. Chemisch herstel= oorspronkelijke situatie weer terug. Refractaire periode= cel kan
niet opnieuw geprikkeld worden tijdens dit proces.
Belangrijk dat dit voortbeweegt, bijvoorbeeld van hersenen naar de spier.
3 neuronen nodig voor doorgeven van signaal:
- neuron - actiepotentiaal
- synaps - neurotransmitter
Wanneer drempelwaarde in een stukje neuron wordt gehaald, kunnen de volgende poortjes
ook open gaan om de natrium binnen te laten. Kalium volgt een stuk trager. Door dit proces
kan dit proces maar één kant op. Schwanncel: natriumionen duwen elkaar voort. Ze zijn
, positief geladen, waardoor het werkt als twee positieve magneten: hiermee wordt er een
groot stuk overgeslagen. De ionen komen terecht in knoop van Ranvier, waarna het weer
in een volgende Schwanncel terecht komt.
Te vergelijken met een lont dat je aansteekt met vuur → gaat één kant op.
Komt binnen bij dendrieten, hier vinden alle elektrische processen plaats. Kan interneuron
of motorneuron zijn.
Communicatie tussen neuronen
- Gebeurt in synaps
- Via neurotransmitters (hoeft ze niet uit je hoofd te kennen)
- Dopamine. Voorbeeld waar veel gebruik van wordt gemaakt in medicijnen
voor kinderen (ADHD, angst).
- Adrenaline
- Rol bij prikkeloverdracht
Presynaptische neuron → gele, bovenste deel
- … of ...
Postsynaptische neuron → groene, onderste
- interneuron of motorneuron
Communicatie via synaptische spleet → hier worden neurotransmitters vrijgelaten, waar ze
hun werk doen en een actiepotentiaal creëren voor de postsynaptische neuron. Worden
gebonden aan receptoren. Feedback-functie: signaal van presynaptische neuron dat de
neurotransmitters niet/minder moeten worden afgegeven.
Neurotransmitters in actie
1. Synthese → hoe wordt het gemaakt (neurotransmitters)? Dit is te beïnvloeden, o.a.
met medicatie door te zorgen voor meer voorlopers van de neurotransmitters.
2. Opslag → hier worden neurotransmitters opgeslagen in een blaasje
3. Afbraak als opslag vol is → wanneer er teveel zijn, gebeurt d.m.v. enzymen
4. Afgifte van neurotransmitters → Blaasje komen in synaptische spleet, waardoor ze
tussen post- en presynaptische neuron zweven. Caffeïne is ook een stof die dit
proces kan beïnvloeden, door te binden aan de receptoren waar eigenlijk het
slaapstofje moet binden. Genotsmiddelen doen hetzelfde, waardoor uiteindelijk ook
je gedrag wordt beïnvloed.
5. Beëindiging afgifte → regulatie van afgifte
6. Binden aan receptoren
7. Neurotransmitter inactivatie → opgenomen of vernietigd, manieren van cel om dit te
controleren. Bij heropname hoeft het niet opnieuw te worden aangemaakt.
Prikkeloverdracht sturen met medicatie
Serotonine is belangrijk voor emotie. Concentratie hiervan wordt vaak verhoogd bij
angst/depressie, zodat opname hiervan wordt geblokkeerd en de concentratie hoger blijft.
Dopamine is vaak tekort bij ADHD, met medicatie kan het dopamine-niveau verhoogd
worden voor o.a. een betere concentratie.
HC2
Hersenen in het algemeen
- Onderdeel van het zenuwstelsel → hier gebeurt ook de communicatie
- Cognitieve functies
- Basale functies (hartslag, ademhaling, etc.)
- Bepaalde hersengebieden vormen een netwerk → hoe goed dit samenwerkt
beïnvloedt jouw vaardigheden oa.
Neuronen