Week 6
A: Survey-onderzoek en latente variabelen
Survey: beschrijven/verklaren van sociale verschijnselen door middel van:
- Symmetrische verbanden
- Grote mate van standaardisatie:
o Van de vragenlijst
o Van de modus van afname
- Reactief onderzoek: uitgelokt gedrag
- Meetmomenten:
o Eenmalig: cross-sectioneel
o Herhaald: longitudinaal
Trendsurvey:
Dezelfde vragen, verschillende respondenten
Zegt alleen iets op groepsniveau
Panelsurvey:
Dezelfde vragen, dezelfde respondenten
Zegt ook iets op individueel niveau
Niet praktisch haalbaar
- Modus van afname:
Snelheid Complexiteit Kosten Respons
mogelijk
Met Persoonlijk: Langzaam Zeer hoog Zeer hoog Goed
interviewer face-to-face
(‘capi’)
Telefonisch Snel Hoog Hoog Redelijk
(‘cati’)
Zonder Schriftelijk: Langzaam Laag Redelijk Matig
interviewer paper-and- laag
pencil
(‘casi’)
Email/ Snel Hoog Zeer laag Redelijk tot
websurvey matig
(‘cawi’)
- Operationalisatie:
o Open vragen: geen antwoordmogelijkheden
Voordeel: geen bias/sturen via antwoordopties
Nadeel:
Antwoorden invoeren/coderen veel werk
Meer moeite respondent
o Gesloten vragen:
Voordeel:
Makkelijk voor respondent
Makkelijk voor data-invoer
Nadeel:
Mogelijke beïnvloeding door antwoordopties (bias)
- Complexiteit variabelen:
o Manifest: direct waarneembaar
o Latent: complexe begrippen (gevoelens, attituden, meningen)
, Meetschaal: meerdere vragen/items om latent construct te meten
Semantische differentiaal: geeft betekenis door middel van
tegenovergestelden
Likert: helemaal mee eens tot helemaal oneens
- Goede vragen:
o Taalgebruik op doelgroep aanpassen
o Op één manier te interpreteren
o Geen double-barrelled questions: 1 vraag per stelling
o Neutrale vragen, geen bias
o Geen dubbele ontkenning
o Inleiding gevoelige onderwerpen
o Routing: alleen relevante vragen voor respondent
o Pilot-testen
- Goede antwoordmogelijkheden:
o Sluiten aan bij vraag
o Uitputtend/exhaustive: alle mogelijke antwoorden opgenomen
o Wederzijds uitsluitend/mutually exclusive: sluiten elkaar uit
- Responsvertekening: Sociale wenselijkheid
o Geen oprecht antwoord, niet valide (vooral bij gevoelige onderwerpen)
o Subgroup/peer group: verwachtingen van maatschappij
o Sterker bij gebruik interviewer
o Oplossing:
Minder beladen maken
Garandeer anonimiteit
Geen interviewer gebruiken
- Validiteit:
o Meet-/constructvaliditeit: kwaliteit van je meting/schaal
Complexe begrippen, weglaten van slechte vragen
o Externe validiteit: generaliseerbaarheid van je onderzoek (hoog bij survey)
o Interne validiteit: kwaliteit van je onderzoeksdesign (laag bij survey)
Hoe zeker ben je over je conclusie, zijn er andere verklaringen?
- Betrouwbaarheidsmaten:
o Interne consistentie meting: consistente items binnen één meting
o Test-hertest betrouwbaarheid: consistentie van twee gelijke metingen op
verschillende momenten
o Test-paralleltest: consistentie van twee verschillende metingen op hetzelfde
moment
o Split-half: consistentie van twee helften op verschillende momenten, zelfde
respondenten
- Steekproeven/populatievaliditeit:
o Groot naar klein: populatie > steekproefkader > steekproef
o Representativiteit: steekproef weerspiegelt de populatie op bepaalde
kenmerken
o Definitie populatie > operationalisering populatie > steekproefplan > selectie
onderzoekseenheden: vaak oversampeling door non-respons
Steekproefkader: administratie van de populatie
Onderdekking: bepaalde groepen mensen ontbreken
Overdekking: bevat mensen die er niet horen
, o Kans-Steekproeven: hoge representativiteit, vaak niet haalbaar
Enkelvoudig aselecte steekproef: toevalssteekproef uit alle
onderzoekseenheden
Systematische steekproef: systematisch uit hele populatie een aselecte
eenheid trekken met random startpunt
Gestratificeerde steekproef: doelgroep verdelen in relevante groepen,
uit deze groepen aselect een bepaald percentage selecteren
Clustersteekproef: doelgroep verdelen in relevante clusters, random
aantal clusters selecteren en alle mensen uit deze clusters laten
deelnemen
Getrapte/multi-stage steekproef: clustersteekproef maar random aantal
eenheden uit een paar van de clusters selecteren
o Niet-kans-steekproeven: makkelijk te verzamelen data en
onderzoekseenheden maar niet generaliseerbaar, lage representativiteit (bias)
Census-steekproef: hele populatie laten deelnemen in onderzoek
Door big-data eerder haalbaar
Geen steekproef
Quotasteekproef: onderzoeker selecteert de groepen op basis van
kenmerken
Sneeuwbalsteekproef: respondent selecteert volgende respondent
Gemakssteekproef/Convenience sample: wat voorhanden is (bijv. via
social media aan netwerk vragen)
o Algehele/unit non-respons: bepaalde eenheden weigeren of niet in staat om de
deel te nemen, vullen de hele survey niet in
Oplossing:
Oversampling
Incentive: kan leiden tot verkeerde motieven en wenselijke
antwoorden, ‘wil-factor’
Goed getrainde interviewers inzetten
Mixed mode survey inzetten, ‘kan-factor’
o Pas op voor sociale wenselijkheid
o Item non-respons: afzonderlijke vraag niet beantwoord
Vraag wordt niet begrepen, willen ze niet beantwoorden
Oplossing:
Pilot-testen
Vragen anders stellen
Andere modus van afname
o Anoniemer maken
o Persoonlijk interview
o Non-respons bias: systematisch verschil tussen respondenten, niet-
respondenten en hun antwoorden, bedreiging externe validiteit
Als non-respons samenhangt met kenmerken van de populatie
B: T-toetsen voor het vergelijken van twee gemiddelden
T-toetsen hebben vaak verschil in de onderzoeksvraag
T-toetsen voor twee gemiddelden:
- Onafhankelijke t-toets: vergelijkt gemiddelde
verschillen op basis van onafhankelijke data, bijv. twee
verschillende groepen mensen, groepen die elkaar uitsluiten: