Inleiding Sociaalwetenschappelijk Onderzoek – Jaar 1,
blok 1
Collegedictaten 2019/2020
LEC-1 – 03-09-19
Programma
1. Organisatieprogramma vak
2. Wat is sociaalwetenschappelijk onderzoek?
3. Het proces van sociaalwetenschappelijk onderzoek
1. Organisatieprogramma
Leerdoelen staan in vakwijzer (wordt ook doorgenomen in WGR)
Wekelijkse opdrachten: VERPLICHT, harde deadline (zie WGR)
Bibliotheek tutorials: ook verplicht (online, zie blackboard, moet zelf thuis)
Beoordeling: Tentamen 60%, eindopdracht 25%, wekelijkse opdrachten
15%
2. Wat is sociaalwetenschappelijk onderzoek?
Doel van wetenschap is nieuwe kennis produceren, wereld kunnen
begrijpen en verklaren.
Fundamenteel vs. Praktijkgericht onderzoek
Fundamenteel: Bijdrage aan kennis, geen praktische toepassingen. Bijv.
onderzoek naar factoren die racisme beïnvloeden. Voornamelijk in
natuurwetenschappen.
Praktijkgericht: Oplossingen van praktijkproblemen. In bestuurskunde: hoe
effectief is beleid?
Fundamenteel levert wel een bijdrage aan praktijkproblemen, maar
problemen zijn geen oorzaak voor fundamenteel onderzoek.
Praktijkgericht wordt niet alleen door uni’s uitgevoerd, fundamenteel wel.
Elk onderzoek zit tussen beide uitersten van onderzoeksvormen,
sommigen dichterbij een uiterste dan anderen.
Sociaalwetenschappelijk onderzoek: Bijv. culturele antropologie,
sociologie, psychologie, bestuurskunde. Vaak praktijkgericht, oplossing
beleidsproblemen.
1
, Doel van dit (SWO) onderzoek is ‘genereren van kennis’.
Waarom dit onderzoek?
Vaak worden er fouten gemaakt wanneer we aan kennisvergaring doen:
Fouten door persoonlijke ervaringen
o Overgeneralisatie (Eng. Overgeneralization) Als je slechts
enkelen hebt geobserveerd, wat niet voor een grotere
populatie hoeft te gelden.
o Selectieve observatie (selective observation). Door sterke
overtuiging focust onderzoeker zich alleen op eigen
overtuiging in onderzoek.
o Voorbarige conclusie (premature closure). Onderzoeker is
te snel tevreden met mogelijke verklaring en kijkt niet naar
andere mogelijke verklaringen.
o Halo-effect (halo effect). We overgeneraliseren hetgeen we
als positief of respectabel achten. We nemen een rapport
van iemand van Harvard veel meer serieus dan dat van
iemand van Tilburg University, omdat we ervanuit gaan dat
het rapport van diegene van Harvard beter is, terwijl dat
niet zo hoeft te zijn. Of bijv. relatie tussen schoonheid en
intelligentie. Aantrekkelijke personen worden intelligenter
geschat op basis van uiterlijk. Of iemand presteert heel
goed omdat hij erg tevreden is, maar dat hoeft helemaal
niet. Dus verkeerde associaties tussen bepaalde concepten.
Voorbeel werkgroep: je gelooft iemand omdat hij
wetenschapper is, terwijl wat hij zegt niets met zijn
werkgebied te maken heeft. Het is bij negatieve dingen ook
mogelijk, maar dan heet dat het hoorneffect.
o Valse consensus (false consensus). Men gaat ervanuit dat
vergelijkbare personen hetzelfde ervaren als henzelf. Je
projecteert je eigen beleving op die van anderen, terwijl dat
niet zo hoeft te zijn.
Fouten door (onterecht) vertrouwen op:
o Experts en autoriteiten (niet inenten door vaccinaties ivm
autisme)
o (populaire) mediaberichten (project X in Haren, werd enorm
uitvergroot door media)
o Ideologische overtuigingen en waarden (door geloof in
mannelijke superioriteit zijn mannen meer geschikt door
bepaalde posities)
Dus niet teveel vertrouwen op al deze voorbeelden, kan leiden tot
verkeerde conclusies.
We hebben dus richtlijnen nodig voor het maken van algemene
uitspraken.
2